artikel

Fabels en feiten over de meerschuim pijp

Door Don Duco

Inleiding
Van de materialen die voor tabakspijpen gebruikt zijn is de pijp van meerschuim het meest begeerlijk. Niet voor niets wordt het materiaal de witte godin genoemd, om te refereren aan de bijzondere eigenschappen van de grondstof. De porositeit van meerschuim zorgt voor een comfortabel gewicht, iets dat voor een tabakspijp van groot belang is. Daarnaast staat meerschuim garant voor perfect droog roken, want het poreuze materiaal absorbeert het vocht dat bij het roken vrij komt volledig. Tenslotte is meerschuim reuk- en smaakloos zodat het aroma van de tabak volledig tot zijn recht komt.

Bijkomend genoegen van een meerschuim pijp is de bijzondere uitstraling met zijn prachtige ivoorkleur in een zachte tint. Het gegeven dat de pijp gaande het gebruik kleurt, werd vooral in het verleden hooglijk gewaardeerd. In de loop van de jaren kreeg de pijp een patina van ivoor naar geelgetint of oranje om uiteindelijk tot diep donkerbruin door te kleuren. Juist dat kleuren van de pijp werd een rage onder rokers zodat een mooi doorgerookte pijp al snel in hoog aanzien stond. Rijke rokers betaalden er graag het tienvoudige voor!

Dit artikel beoogt een algemene introductie in de meerschuim pijp te zijn. Het schetst de eigenschappen van het materiaal, de wijze van vervaardigen, maar gaat ook in op de vormen van de pijpen en hun decoraties. Natuurlijk komt daarbij ook de geschiedenis van de meerschuim pijp in verschillende facetten aan bod. Uiteraard zou dit artikel niet compleet zijn zonder ook de roker van de meerschuim pijp te typeren. Voor wie het eens wil proberen worden in het slot tips gegeven over de aanschaf en het gebruik van een meerschuim pijp.

Meerschuim als materiaal

Grondstof en eigenschappen
In tegenstelling tot wat velen denken heeft meerschuim niets te maken met de schilden van de inktvissen die op het strand worden gevonden. Deze rugschildjes zijn goed voor in de vogelkooi om de snavels van gevangen vogels scherp te houden. Meerschuim heeft ook niets van doen met geperste vogeleieren (noot 1) of de versteende schuimkoppen van de golven van prehistorische zeeën zoals wel wordt beweerd. De pijpengrondstof is gewoon een mineraal, maar wel een heel bijzondere.

Het is wel beweerd dat meerschuim op koraal lijkt en misschien niet toevallig luidt het Turkse woord voor koraal mercan (noot 2). Heel aannemelijk is dat in dat woord de oorsprong van de benaming meerschuim ligt. Dat talloze mensen vervolgens een associatie met het schuim van de zee hebben gemaakt, berust dus op louter fantasie. Juister is de vergelijking van meerschuim met speksteen omdat de eigenschappen van beide steensoorten dicht bij elkaar liggen. De chemische formule van meerschuim luidt: Mg4Si6O15(OH)2•6H2O (noot 3).

Meerschuim is een vette, zachte steensoort ook wel omschreven als magnesium silicaat die even gemakkelijk te bewerken is als leerdroge klei. Geologen noemen meerschuim sepioliet en het is die naam die voor de verwarring met de sepia, het rugschild van de inktvis heeft gezorgd. Maar er zijn talloze andere aanduidingen. Zo wordt er gesproken van foam clay, de Latijnse benaming is spuma marina. De Turken benoemen het met lületaschi (noot 4) hetgeen zoveel betekent als het Amerikaanse pipe stone, materiaal geschikt om pijpen van te maken. In veel Europese talen is het dus wat ongelukkig gekozen woord meerschuim letterlijk overgenomen of vertaald (noot 5). De Engelsen spreken van meerschaum, de Fransen van écume de mer, de Italianen van spuma di mare (noot 6).

Een bijzondere eigenschap van meerschuim is het lichte gewicht. In water blijft het even drijven voordat het langzaam zinkt. Wanneer het volledig met water doordrenkt is, laat het zich als zeep snijden. In droge toestand is het bewerken vergelijkbaar met zachtere houtsoorten. Tenslotte zorgt vuur ervoor dat het enigszins verhardt en juist dat is voor pijpen geschikt om het voorwerp voldoende stevigheid te geven. Kenmerkend voor meerschuim is ook dat het nauwelijks andere toepassing heeft gekend dan voor pijpen. Alleen de kleine stukjes worden soms voor snuisterijen gebruikt.

Vindplaatsen en winning
Meerschuim is geen algemeen voorkomende delfstof. Slechts op een beperkt aantal plaatsen in de wereld wordt het gevonden. De bekendste is de streek tussen Ankara en Istanbul met als centrum Eskisehir (Eski-Sjehr) (noot 7). Wereldwijd zijn er echter meer vindplaatsen. Ook uit Tanzania bij het Amboseli meer in het gebied van de Kilimanjaro komt meerschuim voor. Verder bestaan er andere wingebieden die minder bekend zijn omdat zij nooit tot productie van pijpen hebben geleid. Enkele van deze streken zijn de Krim, Griekenland en de omgeving van Madrid (noot 8). Ook in de Verenigde Staten wordt meerschuim op verschillende plaatsen gevonden (noot 9).

De winning vindt plaats in mijnen met een eenvoudige schacht die recht naar beneden gaat naar de lagen waarin de delfstof in klompen wordt gevonden (afb. 1). Op een diepte van tussen de tien en de dertig meter wordt meerschuim in mijnen gedolven. De rijkste lagen bevinden zich op grotere diepte onder het aardoppervlak; sommige bronnen overdrijven hierover (noot 10). De mijnbouw is bepaald geen aangenaam werk en vaak zijn het kinderen die in deze nauwe schachten omlaag worden getakeld. Eenmaal onderin vertakt de mijn zich naar alle kanten en worden de klompen meerschuim uit de omringende klei weggegraven.

In de lagen verschilt het voorkomen van het meerschuim sterk en het delven is alleen haalbaar wanneer er van een flinke concentratie sprake is. De meeste stukken en brokken hebben de grootte van een vuist, zelden gaat het om grotere klompen. Toch worden incidenteel stukken met een doorsnee van meer dan dertig centimeter aangetroffen. De vrijgegraven brokken worden in een bakje omhoog getakeld. Omdat de buitenzijde van de brokken ruw en oneffen is worden zij schoongemaakt door met een mes de korrelige vervuilde huid weg te snijden (afb. 2). Zo ontstaan uit de onooglijke stukken (afb. 3) afgeronde klompen (afb. 4) die voor verwerking geschikt zijn. De kleinste stukjes worden gebruikt voor het snijden van broches, het maken van kralen of andere snuisterijen. De grotere stukken dienen vrijwel zonder uitzondering voor de pijpenproductie.

Vanuit het wingebied worden de brokken meerschuim in kisten verkocht. Die handel vindt al ruim twee eeuwen plaats (noot 11). In de negentiende eeuw bedroeg het gewicht van zo’n kist tussen de 35 en 40 kilogram (noot 12). Voor de koper was het altijd een verassing wat hij in die kist zou aantreffen. De grootte van de klompen varieerde nogal en hetzelfde gold voor de kwaliteit. Vooral in de negentiende eeuw moet de verkoop gigantisch zijn geweest. De export van de grondstof vanuit Turkije gaat tot ongeveer 1960 door, hoewel de omvang geleidelijk verminderde.

Kwaliteit
Meerschuim kent veel kwaliteiten en niet alle soorten zijn even geschikt om pijpen van te maken. Een pijp van meerschuim moet idealiter licht van gewicht zijn, daarnaast helder van kleur, bij voorkeur egaal wit en verder is de porositeit van groot belang. De beste klompen werden als subliem aangeduid, gemeten naar hun lichte gewicht en helderwitte kleur; verder onderscheidt men nog vier mindere soorten (noot 13). Naast de prachtig witte meerschuim komen ook gelige brokken voor. Minder geschikt zijn vlekkerige stukken, die doorgaans worden bijgekleurd om toch verkoopbaar te zijn. Daarnaast bestaan zelfs donkere soorten meerschuim tot aan zwart toe.

Het beoordelen van de grondstof naar kleur, gewicht, porositeit en textuur is een vak op zich. Het verdelen van de brokken naar kwaliteit gebeurt doorgaans door de baas van de pijpenmakerij. Hij kan op het oog bepalen hoe de kenmerken zich verhouden zodat hij weet aan welke pijpenmaker een klomp meerschuim het beste kan worden afgegeven. Het vakmanschap van de pijpenmaker bepaalt uiteindelijk het resultaat van het product. Daarbij is het zaak uit de steen een zo groot mogelijk product te maken, zonder dat oneffenheden en verkleuringen zichtbaar of storend zijn.

Hoewel op het eerste gezicht homogeen, is meerschuim dat niet. Veel klompen bevatten insluitsels en stukjes die harder zijn dan het omringende materiaal en soms zijn zelfs dunne lijnen van kleilagen zichtbaar. Daarenboven is de steen naar binnen toe doorgaans zachter. Het vormgeven dient dus met een vaste hand en met een grote mate van voorzichtigheid te gebeuren. Onvermijdelijk ontstaat soms toch een oneffenheid veroorzaakt door een onverwachte lagenstructuur of een plaatselijke verontreiniging. In antieke pijpen zien we dat een enkele keer terug door een wonderlijke lijn van een kleilaag die door het product loopt (afb. 5) of in ergere gevallen doordat een stukje meerschuim in het oppervlak moest worden ingezet (afb. 6).

Schaarste aan meerschuim was al gauw reden het materiaal te vervalsen. Dat is op grote schaal gebeurd, zowel in het wingebied als in de productiecentra. Het zuivere product wordt daarom tegenwoordig met de term blokmeerschuim aangeduid. De meest bekende imitatie heet Weense meerschuim of composiet (noot 14). Hier gaat het niet om de echte mineraal zoals die wordt gevonden, maar om meerschuimafval dat wordt vermalen en met lijm wordt vermengd. Bij imitatie meerschuim worden de voorwerpen dus van meerschuimpasta geperst en na drogen bijgesneden. Daarnaast bestaat er nog massameerschuim ook wel pseudo meerschuim genoemd, dat andere grondstoffen als uitgangpunt heeft. Op het oog is het resultaat hetzelfde. Nadeel van massameerschuim is echter dat het materiaal beduidend minder poreus is en bij het gebruik dus weinig vocht absorbeert. De smaak van de pijp zal daardoor minder rond en vaak scherper zijn terwijl de kleuring in de loop van de tijd tegenvalt. Op het oog zijn de twee soorten overigens nauwelijks te onderscheiden. Alleen het ondoordringbare voorkomen en het hogere soortelijke gewicht verraden dat het om een imitatie gaat.

Bewerking tot pijp
Standaard gaat het bij meerschuim pijpen om de vervaardiging van losse koppen, voorzien van een korte afgeknotte steel, aanvankelijk naar het eind licht verzwaard. Klompen meerschuim zijn namelijk nooit groot genoeg om er een steelpijp van te maken, bovendien zou het voorwerp niet sterk genoeg zijn. De afgeknotte steel, al dan niet met een manchet wordt aan een separaat roer bevestigd. Hoewel bij de productie van meerschuim pijpen altijd gesproken wordt van het snijden kent het eigenlijke pijpenmaken veel meer handelingen. Als eerste worden de gladgemaakte brokken meerschuim met een mes tot ruwe pijpen voorgevormd (noot 15).

De belangrijkste handeling van het pijpenmaken is het definitief vormgegeven dat grotendeels op een draaibank gebeurt. Vanwege de kwetsbaarheid van het materiaal moet dit draaiwerk zeer behoedzaam gebeuren. Met een lepelboor worden de ketelruimte en de opening in de steel aangebracht. Daarna wordt de pijp uitwendig vormgegeven en dit gebeurt ook op een draaibank om er zeker van te zijn dat het voorwerp een mooie, strakke cilindrische vormgeving krijgt.

Op de draaibank worden de ketel- en steelopening benut om de pijp goed in te spannen, zodat de pijpenkop en het eindstuk van de steel volmaakt kunnen worden afgedraaid. De zogenaamde pijpenhals, het gedeelte dat de ketel met de steel verbindt, laat zich echter slecht draaien. Dit werk moet met de hand worden gedaan, al blijft de pijpenkop wel vastgeklemd in de draaibank. Mede dankzij het zachte materiaal kan de draaier deze achterhoekse plaatsen gemakkelijk bijsnijden door het voorwerp met de hand bij halve slagen te draaien. Jarenlange ervaring maakt dat dit werk vlekkeloos kan gebeuren zodat ook deze delen van de pijpenkop mooi strak worden uitgevoerd (afb. 7).

De pijpendraaiers die dit werk verrichten werken met een eenvoudige met de voet aangedreven draaibank. Het afwisselen van aandrijven door trappen en draaien vraagt veel ervaring. Het werk van de draaiers is totaal tegengesteld aan dat van de snijders die voor het artistieke element zorgen. Het draaien is vooral een zaak van vakmanschap, het efficiënt vormgeven van de pijp zonder onvolkomenheden. De pijpensnijders komen pas aan de beurt wanneer de pijp grotendeels voltooid is. Het gedeelte van de pijp dat snijwerk krijgt, wordt door de pijpendraaier uitgespaard als een onafgewerkte cilinder of rechthoekig blokje op het reeds vormgegeven halffabricaat (noot 16).

De snijder dient zich vervolgens op de klomp te oriënteren waaruit de decoratie moet worden gestoken en een goede samenwerking tussen de draaier en de snijder zorgen ervoor dat deze blokjes precies pas van formaat zijn. Tijdverlies door het onnodig wegsteken van meerschuim is niet gewenst. Voor het snijden wordt het materiaal opnieuw op vochtigheid gebracht zodat het zich gemakkelijk laat bewerken (noot 17). De snijder weet uit ervaring dat het meerschuim van hardheid kan verschillen en dient dus behoedzaam te werk te gaan. Zijn instrumentarium bestaat uit een dozijn verschillende mesjes die ieder eigen kenmerken opleveren (afb. 8). Zo zijn er bijvoorbeeld speciale puntige instrumentjes om de halfronde pupillen van de ogen aan te brengen. Net als het draaiwerk gaat het snijden op snelheid en doorgaans worden de lonen op basis van productie uitbetaald.

Na het vormgeven worden de pijpen twee tot drie weken te drogen gelegd en dan volgt de nabehandeling die vaak het geheim van de fabriek is. De afwerking vervolmaakt niet alleen het product in esthetisch opzicht maar is ook van groot belang voor de doorrookkwaliteit van de pijp. Als eerste wordt het voorwerp nagelopen op eventuele oneffenheden. Deze stopt men met een mengsel waarvan meerschuimgruis het hoofdbestanddeel is. Dan volgt het licht schuren of polijsten eerst met kalk of beenderas, soms ook met puimsteen. Vervolgens wordt het voorwerp in een talkbad gedaan om een mooie egale kleur te krijgen.

De belangrijkste nabehandeling is echter het koken van de pijp in was of stearine of een combinatie van beide. Deze was dringt in het oppervlak en geeft de pijp een mooie glans en een aangenaam glad oppervlak. De meest luxe afwerking wordt aangeduid met double cire, die vooral bij versierde pijpen werd toegepast. Een gedeelte van de decoratie wordt sterker geïmpregneerd waardoor deze stukken bij het doorroken minder teer en nicotine absorberen en dus lichter van kleur blijven (afb. 9). De wasbehandeling bepaalt verder de wijze van kleuren en naar het schijnt behoren de pijpen met de aanduiding culottage garanti tot de mooist doorrokende soort. Soms wordt de pijp na de wasbehandeling nog nagepolijst met een dot paardenhaar gevolgd door het wrijven met een wollen doek.

Wanneer de tint van het meerschuim tegenvalt wordt deze in lijnolie gedrenkt en dergelijke pijpen worden met oliekoppen aangeduid (noot 18). Hun kleur varieert van gelig tot grijzig naar donker-roodbruin, soms hebben zij een gespikkeld oppervlak (afb. 10). Dergelijke pijpen kleuren minder tijdens het roken. In een aantal gevallen worden de pijpen voorgekleurd om bij verkoop al de status van een aangerookte pijp te hebben. Het kleuren kan heel subtiel zijn en slechts een lichte tot gelige tint hebben waarbij alleen de ketelopening op een ijzeren plaat bruingebrand is. Deze afwerking staat bekend onder de naam calciné (afb. 11). In andere gevallen is de bewerking grondiger gedaan en zijn de pijpen met behulp van plantensappen zoals notenolie donkerrood geworden. Vanaf 1860 komt zelfs de effen zwarte meerschuim pijp in de mode (noot 19). Bij donker gekleurde koppen spreken we van goudron (afb. 12). Een laatste vinding is de néo-goudron, geen echte meerschuimpijp maar samengesteld uit geperst meerschuimgruis vermengd met verpulverd bruyèrehout (noot 20). Overigens is het goed te weten dat alle gekleurde pijpen in eerste instantie bijgewerkte oneffenheden of verkleuringen in de steen moeten verdoezelen.

Geschiedenis van de meerschuim pijp

Ontdekking
Vrijwel iedere publicatie verhaalt de ontdekking van het meerschuim op dezelfde onjuiste wijze (noot 21). In Pest, op de oostelijke oever van de Donau zou de schoenlapper Karol Kovács (Kowátes) hebben geleefd, die tevens een bekwaam houtsnijder was. Op een zekere dag in 1723 kreeg de man bezoek van de Hongaarse gezant op Turkije, ene graaf István Andrássy. Deze graaf had op zijn terugreis van Ankara van sultan Achmed III een bijzondere brok steen gekregen die vettig aandeed en wonderlijk genoeg op het water kon drijven. Hij wenste daar nu bij Kovács een bijzonder voorwerp van te laten maken. De schoenlapper nam de opdracht aan en omdat hij een stevige roker was vervaardigde twee pijpen, de ene voor de graaf, de andere voor hemzelf. Na aflevering van het voorwerp maakte graaf Andrássy in de aristocratische kringen van Hongarije al gauw furore met zijn pijp. Hij ontdekte namelijk niet alleen de positieve gebruikseigenschappen van meerschuim, maar de pijp oogstte bovendien grote bewondering vanwege de schoonheid en bijzonderheid van het materiaal.

Van deze beroemde legende bestaan verschillende versies. Zo zou Andrássy zelf twee pijpen hebben besteld en er één als geschenk aan de schoenmaker hebben gegeven (noot 22). Al rokend heeft schoenlapper Kovács zijn pijp tijdens het werk per ongeluk met bijenwas besmeurd. Daarna merkte hij dat de was de rookkwaliteit verbeterde en heeft het voorwerp er volledig mee ingesmeerd. Op die wijze zou het kleuren van de pijp ontstaan zijn. Hoe dan ook, de verschillende positieve eigenschappen gaven meerschuim snel bekendheid en het is dus niet verwonderlijk dat de handwerksman al gauw een handeltje in meerschuim pijpen opzette.

Het is een prachtige legende die best waar zou kunnen zijn. Daarom is enkele tientallen jaren geleden al eens geprobeerd met archiefonderzoek het waarheidsgehalte vast te stellen. Toen echter bleek dat graaf Andrássy geheel andere beslommeringen had (noot 23) of zelfs een eeuw later leefde (noot 24) en de schoenmaker niet nader traceerbaar was (noot 25), degradeerde de mooie legende tot een fabel. De bestaansreden van dit romantische verhaal is inmiddels wel duidelijk (noot 26). Met dit verzinsel maakten de pijpenfabrikanten in de negentiende eeuw het gebruik van de meerschuim pijp onder de hogere standen van de bevolking bekend. Voor de toenmalige pijpenmakers gold dat als promotie van hun product en blijkbaar was dat van groot belang.

In werkelijkheid voert de ontdekking van meerschuim veel verder terug dan het jaar 1723. Als handelsgoed is de delfstof al in de prehistorie bekend: zo is het bijvoorbeeld als vondst in voorhistorische grafvelden aangetroffen (noot 27). Ook in later tijden behoorde meerschuim tot de handelsartikelen en het materiaal was voor allerlei doeleinden geschikt: beeldhouwers gebruikten het voor het maken van sculptuurtjes (afb. 13) en plaquettes (noot 28). Zoals vaak is de werkelijke geschiedenis van de meerschuim pijp niet zo legendarisch maar vooral logisch. Het materiaal is zowel in Griekenland als in Turkije al in de zeventiende eeuw voor de vervaardiging van pijpen gebruikt. Dankzij de buitengewone eigenschappen werd het al gauw naar andere streken verhandeld. Rond het jaar 1680 moet de meerschuim pijp in veel Europese landen bekend zijn geweest, zij het in beperkte kringen. Duidelijk is dus dat meerschuim als grondstof voor pijpen zeker enkele generaties vóór het verhaal van de schoenlapper en de graaf in gebruik was.

De vroegste productiecentra
In het Turkse wingebied van het meerschuim heeft dus al in de zeventiende eeuw een productie van tabakspijpen bestaan. De oudste schriftelijke bron daarover stamt uit 1679 (noot 29). De pijpenkoppen die daar gemaakt werden volgden het toenmalige Turkse pijpmodel gekenmerkt door een wat bolle ketel al dan niet cilindrisch verhoogd, een ronde onderzijde en een korte steel met manchet. Dergelijke koppen werden aan een separaat roer gemonteerd, doorgaans met een forse lengte. Het oppervlak werd met eenvoudige motieven versierd; de luxueuze exemplaren voorzag men soms van sierstenen of stukjes gekleurd glas.

De Turkse meerschuim pijpenkoppen werden door Griekse en Joodse handelaren over een steeds groter gebied verkocht (noot 30). Zij werden onder de betere stand gerookt, waar men zich graag met een bijzondere tabakspijp wenste te onderscheiden. Dankzij de uitstekende rookeigenschappen groeide hun populariteit. Naar de verspreiding van deze vroege meerschuim pijpen kunnen we slechts gissen. Van het oudste materiaal is niets overgeleverd, misschien wel omdat zij vanwege hun gebruiksvriendelijke eigenschappen volledig zijn opgerookt. Eerst door de welgestelde eigenaar, later door diens knecht of als tweedehands door een eenvoudige roker, totdat de pijp uiteindelijk totaal versleten was.

Omdat het voorkomen van de Turkse pijpenkoppen niet altijd aan de smaak van de rokers elders voldeed, ontstonden er regionaal werkplaatsen om deze pijpen naar de mode van dat gebied te fatsoeneren (noot 31). Op een draaibank werden de koppen mooier glad afgewerkt en de decoratie werd aangepast aan de heersende smaak. Zo zullen in verschillende gebieden kleine werkplaatsen zijn ontstaan waar dit handelsartikel werd opgewaardeerd tot een modieus voorwerp om tegen een winstprijs te worden verkocht. Een van die plaatsen is Lemgo in Lippe, waar het ambacht pijpen te fatsoeneren tussen 1745 en 1750 ontstond (noot 32).

De plaats Ruhla in Thüringen is een tweede centrum. Ook daar komt voor het midden van de achttiende eeuw een nijverheid op gang waar men Turkse pijpenkoppen moderniseert en geschikt maakt voor de lokale markt (noot 33). Naast het aanpassen van de vorm en de decoratie en een verfijndere afwerking wordt ook het monteren van de koppen met metalen dekseltjes en manchethouders gebruikelijk. In de handel slaat het gemoderniseerde product geweldig aan en de werkplaatsen nemen snel in aantal en in omvang toe. In 1798 zijn er in Ruhla 16 fabrieken met 66 werknemers die meerschuim pijpen fatsoeneren en wellicht zelfs nieuwe exemplaren maken uit van elders aangevoerde meerschuimbrokken (noot 34). Dat in Ruhla behalve van massaproductie ook sprake is van bijzonder werk bewijst de deelname van twee pijpenmakers aan een tentoonstelling in Frankfurt in 1776 (noot 35).

Twee andere belangrijke centra voor meerschuim pijpen zijn Wenen en Pest (Budapest). In beide plaatsen ontstaat al in de achttiende eeuw een bescheiden productie aan meerschuim pijpen. De oudst bekende pijpensnijder in Pest is István Nagy uit het laatst van de achttiende eeuw (noot 36). Het lijkt er op dat men hier al snel niet werkt met uit Turkije aangevoerde ruwe pijpenkoppen maar dat men de mineraal zelf verwerkte. Al gauw is Wenen ook het depot voor het meerschuim dat in Thüringen wordt bewerkt (noot 37). Helaas is de vroegste pijpengeschiedenis van beide centra nog niet geschreven, we kennen slechts de magnifieke kunstwerken die daar in de eerste helft van de negentiende eeuw zijn ontstaan. Tussen Wenen en Pest moet in ieder geval een grote wisselwerking hebben bestaan, zowel in de vormgeving van de pijp als in het snijwerk van de decoratie. Voorbeelden van deze prachtige pijpen komen bij de modellen en decoraties nader ter sprake.

Onbekend is verder in hoeveel andere plaatsen men in de achttiende eeuw meerschuim pijpen heeft gemaakt. Zeker is dat de pijp van meerschuim inmiddels voldoende bekend was en eveneens zeer begeerd om een productie op kleinere of grotere schaal te rechtvaardigen. Mogelijk worden ook in Triëste, Milaan, Leipzig, Neurenberg (noot 38), Hamburg, Göttingen, Kopenhagen, Stockholm en andere plaatsen pijpen van meerschuim gemaakt (noot 39). Een toevallige vermelding in een adresboek of een ander archiefstuk zou het bewijs daarvoor kunnen leveren maar wonderlijk genoeg is onderzoek hiernaar nog maar nauwelijks gedaan.

Introductie van namaakmeerschuim
Schaarste aan meerschuim, een hoge prijs en grote populariteit zijn er de oorzaak van dat fabrikanten zich al snel beijveren om meerschuim te imiteren. Daarbij is het productieafval uitgangspunt geweest omdat dit in de bedrijven direct voorhanden was en geen verdere functie had. Na enig experimenteren blijkt dat men het meerschuimgruis kan vermalen en dit met een lijmstof kan mengen waardoor een substantie wordt verkregen die in vormen kan worden geperst. Het aldus verkregen product wordt na drogen bijgesneden en bijgekleurd en is dan nog maar nauwelijks van echt meerschuim te onderscheiden.

Het lijkt erop dat deze werkwijze in Ruhla is ontdekt en daar ook de hoogste vlucht heeft genomen (noot 40). Tegen het eind van de achttiende eeuw bestaan hier naast de reeds genoemde 16 meerschuimfabrieken ook nog 26 werkplaatsen waar maarliefst 156 werklieden zich bezighouden met de productie van nagemaakte meerschuim pijpen (noot 41). Het blijkt dat de imitatie pijpen een gunstiger marge opleveren dan de echte exemplaren waardoor deze handel buitengewoon winstgevend wordt. In een zeer korte tijd overvleugelt de productie van namaakmeerschuim de vervaardiging van echte pijpen. Mede hierdoor wordt Ruhla het centrum van de Midden-Europese pijpennijverheid met een renommee voor vernieuwende producten.

Imitatie meerschuim bestaat overigens in allerlei gradaties. Tot de beste soort behoort het Wiener meerschaum waarvan het hoofdbestanddeel uit meerschuim gruis bestaat en dat beter composiet meerschuim genoemd zou kunnen worden. Naar de wijze van produceren wordt ook wel van persmeerschuim gesproken. Van de verschillende recepten die er voor namaakmeerschuim ontstaan, is slechts één bij naam bekend. Dat is de pâte de Wagner, genoemd naar Johann Christoph Wagner, de uitvinder van dit recept (noot 42). Bij die vervaardigingwijze wordt verpulverde meerschuim onder forse druk geperst, na toevoeging van olie en terpentijn. Bij een ander recept wordt meerschuim tot poeder vermalen en in lijnzaadolie gekookt samen met aluin. Daarna wordt het gegoten en vervolgens bijgesneden. Tenslotte wordt het bij een lage temperatuur gebrand (noot 43).

Wanneer het branden van meerschuim zijn intrede doet, worden ook andere materialen als hoofdbestanddeel gebruikt, waarvan witbakkende klei de belangrijkste is (noot 44). Dergelijke pijpen behoren tot de categorie Massa ook wel aangeduid met Massa meerschuim of pseudo meerschuim. In de recepten wordt geen meerschuimgruis meer verwerkt zodat er dus sprake is van volledige imitatie. Naast kleisoorten vermeldt een recept als hoofdbestanddeel gebrande gips met kalk in een oplossing van Arabische gom; het resultaat wordt met olie gepolijst (noot 45). Dat de experimenten uiteindelijk tot allerlei nieuwe materialen leiden is begrijpelijk. Zo ontwikkelt men zelfs een imitatie koraal en door gebruik van kleurstoffen komt men ook tot een blauwgekleurde imitatie lapis lazuli (noot 46).

Een mooi voorbeeld van een alternatieve meerschuim is Elfenbein Massa, een prachtige benaming voor een harde kunststof gemaakt van vermalen mislukte massa pijpen. Dergelijke recepten zijn tevens het bewijs dat men in de fabriek zelfs de reeds herbruikte afvalstoffen weer wist te benutten. Gelijktijdig komen pijpen gemaakt uit beendermeel, uit gips of zelfs papier machee op de markt. De rookkwaliteit daarvan zal zeker te wensen hebben overgelaten en dergelijke artikelen zullen de naam van de kwaliteitspijp geen goed hebben gedaan. Producten geperst uit meerschuimgruis zijn dus heilig vergeleken bij veel andere namaaksels.

De imitatie meerschuim producten worden op vergelijkbare wijze afgewerkt als de echte. Voor de snijders was het nieuwe materiaal zelfs een zegen want hoewel iets harder, was de substantie door en door homogeen en bevatte geen lastige insluitsels. Als eindproduct zijn de imitaties nauwelijks van de echte pijpen te onderscheiden, vooral niet omdat de echte meerschuimpijp ook forse gewichtsverschillen laat zien. Begrijpelijk is het dat deze imitaties voor de roker nogal eens een teleurstelling opleveren. Zo kwam het knappen of barsten bijvoorbeeld geregeld voor (noot 47).

Duidelijk is dat er tegen het jaar 1800 een keur aan soorten en kwaliteiten meerschuim pijpen en producten die er op lijken op de markt waren. Alleen de klant met de juiste ervaring kon onderbouwd zijn keuze maken en veel rokers zullen indertijd nooit geweten hebben wat de ware kwaliteit van de echte meerschuim was omdat zij altijd nagemaakte producten hebben gebruikt. Het beoordelen van een meerschuim pijp moet indertijd al moeilijk zijn geweest, tegenwoordig is dat nog lastiger omdat de met teer en nicotine doortrokken pijpen een groter gewicht hebben gekregen. Hoewel het onbekend is of nagemaakte meerschuim pijpen ook in de andere centra zijn gemaakt, mogen we hier wel van uitgaan.

Bloei van de meerschuimindustrie
De negentiende eeuw wordt uiteindelijk de bloeiperiode van de meerschuim pijp. De productie neemt gestaag toe, hand in hand met een groeiende vraag, terwijl de reikwijdte van de fabrieken zich steeds verder uitstrekt. De pijp van meerschuim geniet in de hoogste kringen aanzien, terwijl de populariteit zich snel verbreedt. Vanwege het gebrek aan concrete historische informatie is het helaas onmogelijk de groei in kaart te brengen en meer over de omvang van de productie te melden of gefundeerd op de verschillende werkplaatsen in te gaan. Duidelijk is wel dat Wenen en Budapest in artistiek opzicht leidinggevend zijn. Daarna volgt Ruhla met een kwalitatief minder product maar vermoedelijk met een veel grotere productie. Ook in talloze andere plaatsen zoals de reeds genoemde Duitse stad Lemgo zijn werkplaatsen voor meerschuim pijpen geweest, al gaat het om kleinere, minder belangrijke bedrijven.

In de eerste helft van de negentiende eeuw komt de hoogste kwaliteit tabakspijpen uit Wenen. In die stad geeft een rijke clientèle de nijverheid een belangrijke stimulans. De stad Budapest is een tweede waardige toeleverancier. In beide plaatsen beschikt men over de eerste keus aan ruwe Turkse meerschuim. Uitgaande van de beste grondstof wordt ook in de bewerking ervan een optimaal staaltje van vakmanschap neergelegd. De afwerking van de pijp met bijenwas en de montage met toepasselijke zilveren deksels en manchetgarnituren zorgen voor een exclusief product dat alom wordt bewonderd maar vanwege de prijs alleen in de hoogste kringen kan worden gebruikt.

Vooral de stad Wenen kenmerkt zich door een grote liefde voor het roken. Een typerende uitspraak die reeds in 1859 op schrift werd gesteld is: “Een echte Oostenrijker denkt dat hij nooit te veel voor een goede pijp kan betalen” (noot 48). Dit gezegde geeft aan dat er in Wenen een grote, bijna verheven cultuur was op het gebied van rookgerei en dat lokte zeker bijzondere prestaties uit. De klantenkring was breed en naast de adel uit de omvangrijke Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie waren er veel Tsjechische, Duitse en Italiaanse aristocraten terwijl de stad ook door welgestelde westerlingen werd bezocht.

De Weense mode zet de toon voor de meerschuim pijp. De tabakspijp wordt er in de zogenaamde Hongaarse ketelstijl (vgl. afb. 14) tot het grootste raffinement uitgewerkt. De eerste bloeiperiode ligt tussen 1820 en 1850. Naast de grote massieve versie komt al snel een dunner afgedraaide slanke pijpenkop op de markt die minder prestigieus is en bestemd is voor een bredere rokerskring. De werkplaatsen met de grootste verfijning en de best uitgewerkte handelscontacten zetten de trend voor het meest exclusieve product. Rond 1850 zijn er in Wenen zo’n vijftig pijpenfabrieken, ieder met tussen de tien en vijftien werklieden (noot 49).

De firma Adler is zo’n vroeg huis dat nauwe contacten met het Weense Hof onderhield (noot 50). Daar werden op speciaal verzoek van het hof uitzonderlijke stukken gesneden die dienden als diplomatiek geschenk aan ambassadeurs, ministers en aan vorstelijke personen (noot 51). Ook voor presentaties op nationale en internationale tentoonstellingen werden exclusieve producten uitgewerkt. Dergelijke opmerkelijke scheppingen vormen de artistieke loot van de fabriek en onderstrepen het hoge vakmanschap. Het seriewerk is vaak de commerciële dobber waarop de werkplaats drijft.

Naast Wenen is Budapest van belang waar vanaf 1780 enkele werkplaatsen zijn. Belangrijk is hier de ondernemer Sándor Weisz, als snijder werkzaam vanaf 1815 (vgl. afb. 124). Rond 1850 start hij een eigen zaak; later associeert hij zich met zijn zoon Simon (noot 52). Een andere belangrijke snijdersfamilie is de Spiro familie (noot 53). Talloze pijpen in Buda en Pest gemaakt vinden hun weg naar Wenen om daar te worden gemonteerd. Daardoor is de productieplaats lang niet altijd met zekerheid vast te stellen. Kleinere bedrijven richten zich op een minder elitaire klantenkring en bedienen daarmee de grote markt. Behalve in Wenen en Budapest vinden we ze over een veel groter gebied, tot in Polen, Zweden, Denemarken en Italië toe.

In Thüringen met als centrum Ruhla is de bloei van de meerschuimindustrie het grootst al worden de winsten daar vooral gemaakt in het segment imitatiemeerschuim dat heel ironisch Wiener meerschaum wordt genoemd (noot 54). Door gebruik te maken van de stad die het best bekend stond en deze aan een valse soort te verbinden vond een oneigenlijke productaanprijzing plaats. Tussen de Oostenrijks-Hongaarse en Duitse centra moet een geweldige rivaliteit hebben bestaan, al is er vermoedelijk van een even sterke uitwisseling sprake geweest (afb. 14). Grossiers en handelaren kopen overigens daar waar het product het meest voordelig is en binnen hun assortiment voeren zij vaak goederen van uiteenlopende oorsprong. Naast de kwaliteitconcurrentie was een prijsoorlog deze branche niet vreemd.

Vanuit de gevestigde bedrijven zullen geregeld vaklieden zijn vertrokken die hun geluk in andere plaatsen wilden beproeven. Zo vestigen vooral Duitsers zich als meerschuimwerker in de grote steden in het westen waar zij hun nering opnieuw opzetten. Vaak gaat het niet zozeer om een fabriek waar productie wordt geleverd als wel om een handelskantoor met import van producten uit de streek van herkomst. Deze beweging zet al aan het begin van de negentiende eeuw in. De vroegste vestiging dateert van 1817, het gaat om ene Hopfer die in Parijs een winkel met een werkplaats opent en daarmee is de verwerking van meerschuim tot in West-Europa doorgedrongen (noot 55).

De productie wordt massaal en mondiaal
De tabakskoppen van groot formaat blijven na 1850 op de markt zij het dat de klantenkring geleidelijk minder elitair wordt. In die periode is de tabakspijp niet langer de exponent van grote luxe maar verburgerlijkt langzamerhand. Dat is aan alles zichtbaar: het raffinement in het materiaal, de precisie van het model en de verfijning van het snijwerk verminderen. Toch is er niet van afname van de nijverheid sprake, eerder van verbreding en een meer industriematige wijze van werken.

Na het midden van de negentiende eeuw krijgt de meerschuimindustrie een nieuwe impuls, die tot een tweede bloeiperiode leidt. De mode van het roken van een sigaar in een speciaal soort sigarenhouder komt op en juist de pijp van meerschuim is daarvoor bij uitstek geschikt. Opnieuw is het de absorptie die de doorslag geeft voor dit materiaal te kiezen omdat het garantie biedt voor comfortabel roken. Daarnaast biedt de grondstof de mogelijkheid tot aantrekkelijk vormgeven en decoreren. Gaandeweg maakt de tamelijk forse, massieve tabakspijp in biedermeier stijl plaats voor de elegante sigarenhouder en het nieuwe product wordt in veel bredere lagen van de bevolking gebruikt (afb. 15).

Lijken de meeste bedrijven tot 1850 nog werkplaatsen waar met een dozijn werklieden wordt gewerkt, een generatie later zijn deze omgevormd tot heuse fabrieken waar draaiers en snijders hun eigen zalen hebben en het werk aan de lopende band wordt verricht. In 1872 worden in Wenen jaarlijks 100.000 pijpen uit meerschuim gemaakt. In deze branche zijn daar dan zo’n 200 arbeiders actief die tezamen 360 ton meerschuim verwerken (noot 56). Voor de roeren worden nog eens 30 ton barnsteen gebruikt. Gezaghebbende fabrieken brengen catalogi uit waarin hun modelsoorten staan afgebeeld en op de fabrieksvloer worden deze pijpen in serie gemaakt. Voor de meeste snijders heeft het artistieke scheppen plaats gemaakt voor seriewerk, alleen enkele kunstenaars onder hen blijven voor speciale opdrachten werken.

De verhuizing van meerschuimwerkers naar andere gebieden vindt ook in de tweede helft van de negentiende eeuw vervolg. De activiteit in een grote stad als Parijs groeit snel (noot 57), in de Belle Epoque zijn hier zo’n tachtig meerschuimwerkers te vinden die in een eigen stijl gaan werken (noot 58). Vanuit Parijs, waar de industrie zo belangrijk wordt dat men eigen meerschuim depots heeft, wordt het product verder verspreid (noot 59). Hetzelfde patroon maar in mindere mate geldt voor bijvoorbeeld Brussel, waar E.R. Rabe de oudst gedocumenteerde maker is (vgl. afb. 116, noot 60). In de Amsterdamse Reguliersbreestraat vestigt zich de firma Wasmann, die met succes de handel en productie in meerschuim en barnsteen opzet (vgl. afb. 119). De winkel en werkplaats zal langer dan een eeuw bestaan. Een andere Duitse handelaar en meerschuimsnijder genaamd Hintze start een winkel in Den Haag (vgl. afb. 118, noot 61). Ook deze zaak oogst succes en zal ruim een halve eeuw worden voortgezet. Dergelijke winkels drijven overigens op hun handelsfunctie, de productie beperkt zich doorgaans tot het individualiseren van pijpen met een wapenschild of monogram. Gezaghebbende opdrachten worden meestal in het moederland uitgevoerd.

Andere meerschuimdraaiers en meerschuimsnijders steken de oceaan over en beproeven hun geluk in Amerika. De oudst bekende Amerikaganger is F.J. Kaldenberg die zich in 1855 in New York met de Armeen Bedrossian associeert en daar een winkel opent (noot 62). Aan de andere zijde van de oceaan slaat de nering eveneens aan en volgen generaties pijpenmakers en pijpenhandelaars. Een tweede beroemde naam is William Demuth uit New York. In artistiek opzicht is de snijder Gustav Fischer Senoir het belangrijkste, hij vertrok in 1881 vanuit Wenen naar Amerika (noot 63). Frappant is het dat de catalogi van de Amerikanen zich goed met die van de Duitsers laten vergelijken: het aanbod aan soorten en modellen maar ook aan decoraties stemt sterk overeen. Daarom is het moeilijk vast te stellen wie de bedenkers waren en wie navolgden. Wat dat betreft heeft de meerschuim pijp in de tweede helft van de negentiende eeuw een internationaal voorkomen gekregen waarbinnen de verdienste zich nauwelijks nog laat duiden.

Neergang
Na het jaar 1900 neemt het aanzien van de meerschuim pijp geleidelijk af. Daarvoor zijn uiteenlopende redenen. Ten eerste concentreert de roker zich steeds sterker op de sigaret, waarvoor overigens wel sigarettenhouders worden gemaakt maar die in het geheel niet aanslaan. Bij de uitstraling van dit vluchtige nieuwe rookgedrag paste de degelijkheid van een pijpje niet. Gelijktijdig komen langere en ook dikkere sigaren in de mode die niet meer in een druk versierde sigarenhouder worden gerookt. Mode wordt nu het strakke zogenaamde tipmodel (afb. 16) , een rechte buisvormige pijp zonder poespas. Machinaal gemaakt ontstaat dit artikel in een grote concurrentiesfeer. Joyeuze modellen, al dan iet met figuratie, raken snel uit de mode.

Last but not least komt vanaf het midden van de negentiende eeuw de comfortabele pijp van bruyèrehout op de markt. Met zijn strakke vormgeving gaat deze in brede kringen het modebeeld bepalen. De bruyère-industrie werkt een volledig nieuw gamma aan pijpmodellen uit die al gauw zeer geliefd worden. De luxe aard van de houten pijp, voorzien van een buffelhoornen of barnstenen mondstuk en gemonteerd met zilver of goud in bijbehorende cassette past beter bij de roker van die tijd. Zij vervangen de gekunstelde lang gesteelde tegenhangers van meerschuim al dan niet met gesneden decoratie.

Vooral na de Eerste Wereldoorlog lijkt de meerschuim pijp de concurrentie van andere rookwaar te verliezen. Er zijn te veel laagwaardige imitatiemeerschuim pijpen op de markt die de oorspronkelijke waardering voor het product ondermijnen. Daarnaast is de echte meerschuim pijp vanwege de schaarste van de grondstof voor de meeste rokers te duur, zeker in vergelijking met tot de machinaal gemaakte bruyères en pijpen van alternatieve materialen. Alleen voor een kleine groep echte liefhebbers blijft de kwaliteitspijp van meeschuim verkrijgbaar, zowel voor kerftabak als voor sigaren.

De sigarenhouder oude stijl met zijn uitgebreide decoratie verwordt in het interbellum tot een burgerlijk, conceptueel artikel, waarvan geen vernieuwing meer hoeft uit te gaan. De klant is niet langer de elite, maar de burgerman die niet op zoek is naar een modieus artikel maar juist het traditionele gevestigde beeld wil volgen. Omdat de consument minder kritisch is, kan de kwaliteit van het snijwerk afnemen en gaan seriematig gesneden pijpen de markt bepalen. Eindeloze reeksen vaak knullig gesneden honden en herten vervangen de delicate voorstellingen van voor de Eerste Wereldoorlog. Het verdwijnen van de inventiviteit vindt ook zijn terugslag in de branche. De eens bloeiende fabrieken kampen met een dalende omzet en moeten uiteindelijk hun deuren sluiten; nieuwe afzet is niet langer te vinden.

De neergang blijft niet tot Europa beperkt, maar constateren we evengoed in de Verenigde Staten. Na een succesvolle periode van productie en vooral import uit Europa tussen 1860 en 1900 zien we ook daar dat de fabrieken afslanken en verdwijnen of ombuigen tot handelshuizen waar de bruyère pijp en de aanverwante eenvoudige, voordelig geprijsde rookpijpen de hoofdmoot vormen. In hun catalogi verschuift het accent van meerschuim naar algemene rokersbenodigdheden.

In de jaren 1930 zijn er in Wenen nog slechts vier of vijf snijders van meerschuim pijpen te vinden; aan het eind van de negentiende eeuw waren dat er nog zo’n vijftig die ieder ook nog met tussen de tien tot vijftien man personeel werkten. Geleidelijk sterft het ambacht uit al blijft Wenen nog lang de naam houden voor kwaliteitspijpen. Ook in Ruhla zijn de meeste werkplaatsen dan inmiddels verdwenen en zijn nog slechts twee grotere bedrijven actief.

De moderne meerschuim pijp
Na de Tweede Wereldoorlog is van de verkoop van pijpen van meerschuim nauwelijks meer iets over. De Amerikaanse sigaret is alom populair terwijl de meeste pijprokers onvoldoende kwaliteitszin hebben. In een rap tempo verdwijnt de meerschuimindustrie. De detailhandel is dan inmiddels opgesplitst in een exclusief product verkocht vanuit de luxe pijpenspeciaalzaak en de veelal geperste producten door de bazaar en de gewone sigarenwinkel geleverd. Mondiaal zijn nog weinig grote namen over. De firma Andreas Bauer & Sohn uit Wenen is zo’n naam die tot ver na de Tweede Wereldoorlog een kwaliteitsproduct garandeerde (vgl. afb. ..). Sommer uit Parijs is een tweede grote naam met een hoogwaardige kwaliteit (vgl. afb. ..). De laatste gezaghebbende pijpenwinkels leveren meerschuim pijpen met hun eigennaam in het etui, maar produceren deze niet meer zelf.

In 1961 vaardigt de Turkse regering onder M. Menderes een handelsembargo op de export van ruwe meerschuim uit (noot 64). Vanaf dat moment gaat het land de wereldproductie van meerschuim pijpen volledig bepalen (noot 65). Helaas blijft het vakmanschap in Turkije ondermaats en van ontwikkeling is in het totaal geen sprake. Aan de pijpen laat zich dat overduidelijk aflezen. De productie start met snijwerk vanuit de onregelmatige klompen en dat heeft tot gevolg dat veel voorstellingen nogal gekunsteld overkomen (afb. 17). Het is niet langer de voorstelling die de vorm van de pijp bepaalt, maar het grillige uiterlijk van de meerschuim brokken. Zo zien we te korte stelen, pluimen op hoeden die overdreven uitgewerkt zijn, maar net zo goed komen voorstellingen voor waar evident sprake is van materiaaltekort. De vormgeving staat dus onder druk van de mogelijkheden die de steen biedt. Dat geldt vooral voor de figurale pijpen, waarvan het snijwerk zich bovendien kenmerkt door haast en anatomische gebreken.

Pas in tweede instantie zien we enige verbetering. Er ontstaan nieuwe modellen die sterker vanuit de vormgeving zijn gedacht. Een voorbeeld van een typisch Turks ontwerp is een populaire gezichtpijp van een bebaard mannenhoofd met tulband of lakens hoofddeksel waarvan de steel is opgebouwd uit aaneen geschroefde segmenten meerschuim (afb. 18) . Omdat deze curieuze pijp te groot van formaat is mist deze iedere aansluiting met de pijproker en verwordt tot een souvenir- en curiositeitartikel. Voor de roker heeft deze pijp nauwelijks enige waarde en onvermijdelijk zorgen dergelijke bedenksels ervoor dat het aanzien van de meerschuim pijp als serieus rookinstrument vermindert. Ook het gebruik van goedkope plastic mondstukken draagt aan deze verarming bij, inclusief de plastic stift die de oorspronkelijke gedraaide benen tap vervangt.

Rond 1955 ontstaat een tweede productiegebied. In Tanzania, in de streek van Kilimanjaro, worden meerschuimmijnen geopend waar het zogenaamde ambozeli meerschuim wordt gewonnen, gekenmerkt door een wat dichtere, zwaardere structuur (noot 66). Dit materiaal is lastiger te bewerken en ook de kleur is wat grauwer. De stijl van deze Afrikaanse meerschuim pijpen richt zich sterker op de West-Europese bruyère pijp, niet verwonderlijk vanwege het Engelse initiatief van deze branche (afb. 19). Al gauw vormen de bedrijven daar een geduchte concurrent op de pijpenmarkt. Tegen het eind van de jaren 1960 worden vanuit Tanzania jaarlijks maarliefst 200.000 pijpen naar 65 verschillende landen geëxporteerd (noot 67).

De belangrijkste firma is de Tanganyika Meerschaum Corporation Limited (afb. 20). Naast klassieke modellen maken zij ook gesneden pijpen met landseigen portretten van negers die in reliëf rondom de pijpenkop zijn aangebracht (afb. 21). Ook worden houten pijpen voorzien van een meerschuim binnenketel geproduceerd. Gelukkig waagt men zich in Tanzania niet aan de akelige Arabieren- en Turkenkoppen die nog altijd en masse uit het Eskisehirgebied komen. Veel Tanzaniaanse pijpen zijn op de steel herkenbaar aan het merk de witte olifant (afb. 22). Overigens kleuren de Afrikaanse meerschuim pijpen niet zo mooi door maar het rookgenot is nauwelijks minder.

De grote veranderingen in het roken met een preferentie voor de sigaret en bijgevolg de afname van het pijproken in het vierde kwart van de twintigste eeuw maken dat de productie van de meerschuim pijp nog verder afslankt. De nijverheid in Tanzania verdwijnt nagenoeg wanneer de Engelsen zich uit deze branche terugtrekken. Turkije behoudt met zijn product een ambachtelijke uitstraling, die amper geschikt is voor de kritische roker. De meeste figurale stukken getuigen van een zekere naïviteit en vooral de uitbeelding van de mens is anatomisch gezien mager. In de strakke klassieke lijn wordt het bruyèremodel gekopieerd en hierin zijn nog wel mooie kwaliteiten verkrijgbaar. De enige recente verbetering is dat het goedkope met skai beklede etui weer vervangen wordt voor een versie met een luxer soort namaakleer.

De meerschuim pijp als object

Vormgeving
Zoals te verwachten wordt de vormontwikkeling van de pijp door meerdere factoren bepaald. Primair zijn dat de mogelijkheden van het materiaal steeds in combinatie met de smaakwensen van de roker en diens modegevoel. Vanuit de grondstof biedt meerschuim alle denkbare mogelijkheden: van massief en groot tot elegant en verfijnd. De te roken tabaksmelange vormt echter de belangrijkste factor voor de vormgeving, want afhankelijk van de soort en snede verlangt de roker een wijdere of nauwere ketel met meer of minder wanddikte. Het formaat van de pijp staat in relatie tot de gewenste rookduur, maar bij meerschuim is vanwege de statusfunctie deze vaak groter dan noodzakelijk. Onvermijdelijk is ons beeld over de grootte tegenwoordig wat vertekend want wat aan handzame gebruikspijpen op de markt kwam, is voor het merendeel kapot gerookt en verloren gegaan, terwijl de prestige stukken juist bewaard zijn gebleven.

Na de gebruiksfunctie dicteert het modegevoel als tweede de vormgeving. De meerschuim pijp onderscheidt zich door de regio waar zij is geboren van andere pijpen. De grondstof is afkomstig uit Turkije en in dat land zijn ook de eerste modellen bedacht. Deze zijn geënt op de daar dan gangbare lokale tabakspijp van hout of klei. Toch kennen wij de meerschuim pijp vooral uit het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk zodat een mengeling tussen de Oosterse invloed en de Midden-Europese pijp ontstond. Aan deze vormsoorten wordt vanaf circa 1750 een Duitse smaak toegevoegd. Aantrekkelijk aan de meerschuim pijp is dat de modegevoeligheid vaak explicieter is omdat het om een luxe voorwerp gaat waarbij de tijdgeest nauwgezet wordt gevolgd. Naast de regionale variatie aan modellen bestaat er in het marktaanbod steeds een onderscheid tussen modieuze vormgeving en gevestigde meer traditionele modellen.

Rond 1800 is de meerschuim pijp ingeburgerd en in een gevarieerd assortiment verkrijgbaar. Modellen en decoraties veranderen daarna alleen nog in detail. De vormgeving van de meerschuim pijp krijgt voortdurend nieuwe impulsen, vooral doordat het accent van de productie van Oostenrijk-Hongarije naar Duitsland verplaatst. De ontwikkeling in vorm en ook in decoratie zien we in de loop van de negentiende eeuw vervlakken en veralgemeniseren. Dat is niet verwonderlijk want de meerschuim pijp komt in steeds bredere kringen in gebruik en verliest daarmee de uitstraling van grote luxe. De laatste vormgevingsimpuls wordt vanuit West-Europa gegeven en komt uit de Franse bruyère industrie voort.

Behalve de ontwikkeling in het pijpmodel kenmerkt de meerschuim pijp zich door een hoogontwikkelde figuratie. Het zachte materiaal leent zich perfect om er fantasievolle voorstellingen uit te snijden. Bij de figurale pijp wordt de vormgeving niet langer door het model gedicteerd maar door de voorstelling. De meerschuim figuurpijp wordt incidenteel al in de late achttiende eeuw gemaakt doch het duurt tot tegen het midden van de negentiende eeuw eer dit product meer algemeen wordt. De kunstige snijwerkjes die dan tot stand komen zijn te vergelijken met bijvoorbeeld de Japanse netsuké, waar de uitbeelding de functie ook volledig overtreft. Zij zijn niet langer in te delen naar modelsoort maar een ordening naar voorstelling is logischer.

De figuratie komt bij de sigarenhouder het best tot uiting. Omdat een kleine trechtervormige kop als inzet voor een sigaartje voldoet, kan de voorstelling vrij worden uitgewerkt en moet alleen op een in het oog springende plaats zo’n eenvoudige trechter worden ingezet. Toch ligt aan de meeste figurale sigarenhouders als basisvorm wel een pijpmodel ten grondslag. Bij de vernuftigste ontwerpen overheerst de decoratie echter volledig en is geen sprake van een modellijn doch slechts van uitbeelding. Niet verwonderlijk dus dat de sigarenhouder van het pijpenrek in de vitrinekast verdwijnt. Ook bij de sigarenpijp zien we in de loop van de decennia een ontwikkeling al geldt opnieuw dat veel reeds bedachte vormen eindeloos worden herhaald.

Dat vooral de sigarenhouders figurale voorstellingen vertonen is begrijpelijk. Een tabakspijp wordt met de hand gestopt en moet daardoor een zekere stevigheid hebben. Bij de sigarenhouder wordt de kwetsbare sigaar behoedzaam in de houder geduwd, een eenvoudige handeling die het mogelijk maakte een fragiel stukje snijwerk jarenlang intact te houden.

De naamgeving van het meerschuim pijpmodel blijkt in de beschikbare literatuur nogal chaotisch en weinig consistent. Helaas is een inventarisatie van de verschillende vormsoorten nooit serieus ondernomen en de vocabulaire van het meerschuim pijpmodel is daarom nog tamelijk pover en staat nog volledig ter discussie. In veel gevallen zal blijken dat de modelnaam verwijst naar een stad of streek waar deze populair is geweest of zelfs ontwikkeld is. Idealiter ligt aan de modelnaam van de pijp steeds een relatie met de ontstaansgeschiedenis van die specifieke vormsoort ten grondslag. Dat zal in de volgende hoofdstukken nog naar voren komen.

Vroege ketelmodellen
De vroegste meerschuim modellen zijn geïnspireerd op de Ottomaanse pijp van hout of klei en worden aangeduid als Turks model (afb. 23). Kenmerk is een kop die aan de onderzijde bolvormig verzwaard is waardoor deze prettig in de hand ligt. De steel wijst licht omhoog en eindigt in een manchet of steelhouder. Helaas is van dit vroege materiaal nauwelijks iets bewaard gebleven, zodat onze kennis uiterst beperkt is en het moeilijk is een evolutie aan te geven. Dit oermodel wordt aan het eind van de zeventiende eeuw ontwikkeld maar blijft later nog beperkt in productie. In de negentiende eeuw verschijnt het Turkse model opnieuw op de markt, soms identiek aan de oervorm, in andere gevallen aangepast aan nieuwe modes.

Reeds in de achttiende eeuw ontstaat de kalmasch (noot 68) of kalmas (afb. 24), een vormsoort die typerend is voor de meerschuim pijp. Het oorspronkelijke Ottomaanse pijpmodel is getransformeerd en heeft een licht trechtervormige bovenzijde gekregen en een ronde onderzijde, waarbij de ketel en steel organisch in elkaar overlopen. Anders dan bij het Turkse model, waarbij kop en steel nog als separate onderdelen werden gezien, is de kalmasch een vormsoort die evident uit één stuk is gesneden (noot 69). Het model vertoont niet langer een cesuur tussen ketel en steel maar juist een vloeiende overgang tussen de beide vormonderdelen. De Duitsers duiden de kalmasch wel aan met ketelvorm of buidelvorm.

Een vrij lastig te definiëren vorm is de Rakcozi (noot 70), ook geschreven als Rákcózi of Rágóczy (afb. 25), een model volgens overlevering genoemd naar een Hongaarse prins (noot 71). Ook hier loopt de ketel naar de opening licht trechtervormig uit, terwijl de onderzijde van de pijpenkop enigszins verzwaard is zoals ook bij de kalmasch gebruikelijk was. Dit model wordt ook wel met de niet zo duidelijke term zwanenhals aangeduid (noot 72). Het oudst bekende exemplaar staat afgebeeld op de titelpagina van een boekje uit 1799. De Rakcozi zal gedurende de hele negentiende eeuw in productie blijven.

Van geheel andere uitstraling en van veel groter belang is een pijpmodel aangeduid met zakvorm of Ruhla type (afb. 26, noot 73). Het gaat om een betrekkelijk massieve lage ketel en een dikke rechtopgaande wand. De onderzijde van de pijpenkop is rond en deze onderzijde gaat zonder enige markering over in een licht oplopende zich iets verwijdende steel. De ketel wordt aan de bovenzijde doorgaans met een klepdeksel afgewerkt, de afgeknotte steel eindigt in een steelplaat waarin het roer kan worden geklemd (noot 74). Dit model zou rond 1760 in Thüringen zijn ontstaan en de aanduiding Ruhla type refereert daar ook aan.

De zakvorm bestaat in talloze prachtig afgewogen vormen, al zijn daarnaast onvermijdelijk ook minder spannende modellen tot stand gekomen. Slank en hoog zien we naast breed en massief, de steel kan langgerekt zijn en elegant (afb. 27), maar er bestaan ook afgeknotte minder geslaagde vormen, zelfs tot maximaal kort toe (afb. 28). Aanvankelijk is de ketel bijna cilindrisch, bij veel latere modellen zwenkt zij juist sterk trechtervormig uit. Zeldzamer is de taps toelopende ketelopening (afb. 29). Het silhouet van de roker krijgt met de zakvorm een ander voorkomen omdat de pijp meer zijwaarts dan naar beneden wordt gehouden. Het dateren van de zakvorm is lastig want dit model is ruim een eeuw populair gebleven.

Binnen de zakvorm komen typische modelaanpassingen voor, zoals een empire stijl waarbij de ronde vormen deels worden afgeplat, terwijl de ketel vaak ook iets hoger is (afb. 30). Bij latere, eenvoudige zakvormen ontbreekt de montage soms en dan gaat het om pijpen voor de minder gefortuneerde roker (afb. 31). Na 1850 zien we nieuwe namen voor licht afwijkende vormen zoals de Courland shape en de meer cilindrische Hamburg bowl (noot 75). Beide modelsoorten zijn vooral in Amerika populair geweest en de Engelstalige naam refereert daar ook aan. Een specifiek type is het Noorse model, dat in de verte de zakvorm als uitgangspunt heeft en later nog ter sprake zal komen.

De best herkenbare meerschuim ketelvorm is de Hongaar (afb. 32). Het gaat om een cilindrische pijpenkop met een afgeronde onderzijde en oplopende steel vaak aan het eind licht verzwaard of voorzien van een manchet. De steelopening ligt doorgaans dicht bij de ketel waardoor de steel dus betrekkelijk recht omhoog gaat, maar later komen ook luiere versies op de markt. De doorgaans forse ketel verlangt een grasachtige vrij droge tabak die betrekkelijk snel brandt en dat verklaart de hoge ketelvorm. De dikwandigheid dient niet alleen voor de absorptie van het vocht maar ook voor de warmteopname van de vurig brandende tabak. Opnieuw zorgt een lange steel voor koeling van de rook.

Talloze varianten op de klassieke Hongaar komen voor, zonder dat daarvoor aparte namen bestaan. De hoge ketel wisselt sterk van verhouding maar kan soms ook aan de basis licht verzwaard zijn waardoor deze het Turkse model benadert (afb. 33). Een bekend type is de slanke Hongaar die rond de ketelopening een afgeplatte uitstekende filtrand heeft (afb. 34). Een andere variant toont een brug tussen de ketel en manchet, iets dat vooral in de jaren 1830 en 1840 populair was (afb. 35, noot 76). Dat de inspiratie voor deze vormaanpassingen uit verschillende streken komt is wel zeker, maar valt vooralsnog niet nader te duiden. Naast de gangbare vormen, die ieder op zich weer een eigen modeperiode hebben, bestaan er uitzonderlijke modellen. Zo zien we soms een forse ketel die niet langer cilindrisch is maar naar de opening iets uitloopt (afb. 36). Voor dergelijke varianten ontbreken nog eigen benamingen zodat zij het beste kunnen worden aangeduid met het voorvoegsel genre.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelt de Hongaar zich verder. Dat blijkt wanneer we in de catalogus van de Amerikaanse firma Kaldenberg bladeren en interessante modelvarianten tegenkomen (noot 77). De pijp is in die periode wat zwaarder uitgevoerd en vooral lager van ketel terwijl de steel overwegend in een manchet eindigt (afb. 37). Ook de montage is minder luxe en alles getuigt van een grotere productie voor een minder elitaire klantenkring.

Een variant op de Hongaar is een model aangeduid met Debrecen, naar een stad in Oost-Hongarije waar gelijkvormige kleipijpen werden gemaakt. Hier is sprake van een iets conische ketel en een uitstaande vlakke filtrand, afgekeken van de regionale kleipijp (afb. 38). De onderzijde van de ketel kan soms licht puntig zijn. In enkele gevallen is zelfs de ingesneden decoratie, kenmerkend voor deze regionale kleipijpen, ongewijzigd in het meerschuim overgenomen.

De Ulmvorm is geënt op een specifieke tabakspijp die in de Duitse plaats Ulm wordt gemaakt. In deze stad was sinds de late zeventiende eeuw een belangrijke industrie van houten pijpen. Hoewel verschillende typen pijpen kenmerkend zijn voor dit centrum (noot 78), duidt de modelnaam Ulm op een pijpenkop met een hoge cilindrische ketel en opgaande steel. De steel en vooral dat gedeelte dat in de pijpenkop overgaat is tweezijdig afgeplat en vormt een rand die dikwijls langs de ketel omhoog loopt waardoor de aantrekkelijke afgeplatte vorm wordt versterkt (afb. 39).

Het specifieke pijpmodel uit Ulm zien we in talloze ontwerpen terug. Volstrekt logisch leidde het spelen met afgeplatte vormonderdelen tot nieuwe soorten, zoals een afgeplat model met geraffineerde omgaande lijnen aan de ketelbasis (afb. 40) waardoor de Ulmvorm een totaal andere uitstraling krijgt. Hetzelfde is het geval met een ovale ketel waar de afgeplatte decoratie zich op de plaats van de overgang van ketel naar steel bevindt (afb. 41). Tenslotte laat een variant een sterke wangvorm zien die als een extreme hiel onderaan de pijpenkop is aangebracht (afb. 42).

In een volledig eigen stijl uitgevoerd zijn de pijpenkoppen die in Noorwegen en Zweden worden gemaakt en die sterk blokvormig, zelfs bijna vierkant zijn uitgewerkt. Voor het prettig hanteren zijn de scherpe randen doorgaans afgeschuind (afb. 43). Ook deze modellen zijn lang in productie gebleven en kunnen qua vorm fors uiteenlopen. De wonderlijke regionale preferentie voor deze modellen is nog niet verklaard. Van deze pijpen wordt wel beweerd dat zij door boeren werden gerookt, maar gezien het luxe materiaal inclusief een zilveren montage gaat het eerder om een rijkere doelgroep voor wie vormgeving niet op de eerste plaats kwam. Ook dit model loopt tot aan de twintigste eeuw door (afb. 44), zij het dat het ontwerp zich wel aanpast.

Pijpmodellen afgekeken van de ovale Goudse ketel komen ook in meerschuim voor. Zij zijn overigens niet rechtstreeks van de Hollandse kleipijp overgenomen, maar gebaseerd op de Duitse porseleinen Stummel. Het is dus de Duitse tegenhanger van de Nederlandse kleipijp die de inspiratiebron is geweest. Zij komt voor in verschillende verhoudingen van stoer en massief (afb. 45) tot meer elegant maar altijd eerder Duits dan Hollands van uitstraling. Dit pijpmodel heeft een afwijkend silhouet wanneer het met een lange opgaande steel wordt gemonteerd zoals ook bij het porseleinen voorbeeld gebeurde. Hierdoor is deze bestemd voor een ander type roker (noot 79). Incidenteel wordt de stummelvorm ook als rechte pijp gemonteerd (afb. 46), vrijwel zonder uitzondering met een lekbakje onderaan de steel. Naast de stummel wordt ook de kromkop wel in meerschuim uitgevoerd (afb. 47), al blijft die vormsoort zeldzamer.

Ook exotische pijpmodellen geven het meerschuimontwerp inspiratie. Zo bijvoorbeeld de tsjiboek uit Turkije, die onveranderd in meerschuim wordt nagemaakt, compleet met de kenmerkende schotel (afb. 48). Algemener is een variant met een kleinere maar zwaardere schotel vaak met parelrand die minder kwetsbaar is (afb. 49). Ook de veelgevraagde rondbodemkop is onveranderd in meerschuim uitgevoerd (afb. 50). Omdat het meerschuim zich niet zo dun liet afdraaien als het voorbeeld van klei leidde dit dikwijls tot een wat massiever uiterlijk. De meerschuim uitvoering vormt het alternatief voor de rokende student die het ceramische voorbeeld niet luxe genoeg vond en zich met een pijp van meerschuim meer distinctie gaf.

Het pijpmodel vanaf 1850
Een belangrijke verandering in het pijpmodel vindt kort na het midden van de negentiende eeuw plaats. Was het voorheen gebruikelijk dat de pijpen door de winkelier of de roker van een separaat roer werden voorzien, na 1850 gaan de korte pijpen overheersen die al in de fabriek met een eigen op maat gemaakt roer worden gemonteerd. Deze verandering levert een grotere eenheid tussen kop en steel op omdat het ontwerp zich vanaf dat moment niet langer alleen op de pijpenkop richt maar op de totale pijp.

De korte pijp vindt zijn oorsprong in de introductie van de gesausde tabak die milder brandt en dus geen lange steel meer vereist. Daarnaast is er de onmiskenbare invloed van de bruyère-industrie die door haar toepassing van machinale draaivormen tevens de aansluitende korte stelen introduceerde. Roer en tige worden keurig op gelijke dikte afgedraaid en lopen zonder cesuur in elkaar over. Slechts het kleurverschil tussen de twee materialen markeert de overgang. Met behulp van een gedraaide benen schroefdraad wordt het roer aan de pijp gemonteerd, waarbij een verzwaarde manchet niet langer nodig is. De lange houten pijpenroeren worden nu vervangen voor barnstenen mondstukken of goedkopere van hoorn, later wordt vooral caoutchouc gebruikt. Vanuit de bruyère industrie komt ook de montage met een metalen busje in gebruik, waarin een hoornen of rubberen roer wordt geklemd.

De vernieuwing in de montage leidt tot een meer gestandaardiseerd productieproces: meerschuim koppen en barnsteen stelen worden gemechaniseerd gemaakt en nieuwe fabrieken spelen in op deze veranderde mode. Zo starten kort na 1850 drie Parijse handelaren onder de merknaam GBD met de productie van meerschuim pijpen (noot 80). Hun stijl wordt niet langer op de Duits-Oostenrijkse modellen geënt, maar wordt rechtstreeks gekopieerd van de bruyère pijpen uit Saint-Claude. Dit leidt niet alleen tot een ommezwaai in de modellen, maar vooral ook tot een forse uitbreiding van de groep meerschuimrokers. Kort gezegd: men verruilt de ouderwetse lange wat bombastische Duitse pijp voor de modernere handzame vlotte Engels-Franse stijl.

De meest bekende modellen binnen dit gamma zijn de Londen kop en de billiard (afb. 51), daarnaast is de buldog (afb. 52) geliefd. Kenmerkend voor de meerschuim pijp is het dikwijls afplatten van de ketel waarmee een chiquere uitstraling wordt verkregen (afb. 53), aangeduid als pipe de poche. Naast houtmodellen wordt ook de kleipijpvorm in meerschuim nagemaakt. De Goudse ovale kop is daarvan een mooi voorbeeld (afb. 54), maar ook andere kleimodellen komen in meerschuim voor (afb. 55). Kortom, vrijwel alle bruyèremodellen worden in meerschuim nagemaakt en bij sommige pijpenfabrieken zijn de modellen zelfs in beide materialen leverbaar (noot 81).

Naast de moderne bruyère gerelateerde modellen komen ook meer gematigde ontwerpen tot stand, met een sterkere relatie tot de oorspronkelijke meerschuim pijp. Een mooi voorbeeld daarvan is de eierkop die overeenkomstig haar benaming een modern vormgegeven eivormige ketel heeft maar doorgaans nog wel met een manchet is uitgevoerd (afb. 56, noot 82). Dit model wordt rond 1860 bedacht. In latere jaren is deze vooral in persmeerschuim gemaakt en is tot na 1920 populair bij de behoudende minder draagkrachtige roker. Uiteraard kan men ook met deze vormsoort in detail eindeloos variëren. Afgeleiden hiervan zijn bijvoorbeeld de bolkop, die pas aan het eind van de negentiende eeuw ontstaat en prettig in de hand ligt (afb. 57, noot 83). Vanwege de specifieke vorm zal dit model maar kort worden geproduceerd.

Eigen aan de werkwijze in de pijpenfabrieken is het streven met nieuwe modellen en modevormen de productie op gang te houden en de verkoop te stimuleren. Een mooi voorbeeld daarvan is de introductie van de ei-vormige koppen voorzien van een elegante subtiele montage bestaande uit een metalen ketelhouder waarin vaak ook een vochtsluis is opgenomen (afb. 58). In dit metaal wordt een eendenbeen roer gestoken afgemonteerd met een separaat kort mondstuk. Het is duidelijk dat de fabrikant voor deze pijp het blokmeerschuim kon gebruiken dat voor klassieke pijpmodellen te klein was.

Een bijzondere pijp is de kalebas die rond het jaar 1900 op de markt komt (afb. 59). Ook bij dit ontwerp is sprake van een opvallend artikel. De ketel is gemaakt van de gelijknamige vrucht waarbij de binnenzijde aanvankelijk met meerschuimpasta wordt ingesmeerd, zowel om doorbranden te voorkomen als om vochtopname te stimuleren. Pas in tweede instantie wordt een separate ketelinzet uit blokmeerschuim gedraaid die ook nog tot voordeel heeft dat er onder de ketel een compartiment ontstaat waar de rook kan afkoelen. De productie van de kalebaspijp loopt tot de tegenwoordige tijd door. Dit pijpmodel kreeg vooral bekendheid als Sherlock Holmes pijp.

Een specifieke ontwerplijn ontstaat onder invloed van de sigaren- en sigarettenpijpen. Naast verkleinde bruyèrepijpen komen nieuwe modellen tot stand. Het meest bekend is de hoorn (afb. 60) met een licht gebogen model waarvan de diameter geleidelijk iets toeneemt. Het eind wordt vaak gemarkeerd door een separaat gedraaide meerschuim inzet met een verzwaarde ketelopening. Dit model is vooral bekend geworden vanwege de figuraties die op de steel werden aangebracht (vgl. af. 101, 109). Een opmerkelijk ontwerp is de gezondheidspijp, een pijp met een wonderlijk hoge cilindrische ketel waarbij de steel halverwege is aangezet (afb. 61). Het massieve meerschuimgedeelte onder de steelaanzet zorgt voor extra absorptie en dus voor droge rook. Dit extreme model is ontleend aan de meer ovaalvormige Abbesijn die onderaan de ketel in een punt eindigt.

Tot de meest recente inventies behoort het tipmodel of kortweg tip die rond 1900 in productie komt. Het gaat om een buisvormige sigarenhouder zonder poespas die sterker en steviger is en beter past bij de dikker wordende sigaar. De meeste voorbeelden zijn onversierd, een enkel exemplaar toont een monogram dat op verzoek is gesneden (afb. 62). De luxe versies worden vaak in setjes verkocht en zijn bestemd voor verschillende diktes sigaren (afb. 63).

Voor de consument die zowel tabak als sigaren rookt zijn gecombineerde pijpen op de markt, waarbij de tabaksketel met een trechtervormige inzet tot een sigarenhouder kon worden omgebouwd (afb. 64). Andere pijpen maken met meerdere inzetten het roken van verschillende diktes sigaartjes mogelijk. Een merkwaardige vinding is het plaatsen van een tabaksketel in een bestaande tabakspijp om de ketel nauwer maar gelijktijdig ook hoger te maken (afb. 65). Aan het modellengamma voegen zij echter niets toe. Wel wijzen zij ons er op dat de gebruikers van toen kerftabak en sigaren afwisselend rookten of soms zelfs een specifieke wens voor een bepaald ketelformaat hadden.

Ingekraste en ingesneden decoraties
De vroegste decoraties op meerschuim pijpen stammen uit de zeventiende eeuw. Het gaat om ornamentele versieringen bestaande uit ingeritste lijnen, afgewisseld met bloempjes, sterretjes, rozetten en soms een maan. Dergelijke patronen worden vaak aangevuld met glas- en sierstenen die in het meerschuim zijn ingelegd. Alles bij elkaar levert dit een drukke, typisch Oosterse ornamentele decoratie op (afb. 66). Zoals zo dikwijls herleeft deze mode rond het midden van de negentiende eeuw tijdens het historisme. Sommige scheppingen uit de latere tijd hebben de uitstraling van de vroege exemplaren. Andere pijpenkoppen zijn slechts op het verleden geïnspireerd en verraden te expliciet de stijlkenmerken van hun eigen periode van ontstaan (vgl. afb. 23).

Naast deze specifieke Turkse decoraties ontstaan er andere versieringen. De eerste is het repetitief stempelen van geometrische motieven (afb. 67), vermoedelijk met messing stempels. Een heel specifieke decoratie is afgekeken van de Hongaarse Debrecen met een hoog model ketel en een uitstekende filtrand (afb. 68). Dergelijke pijpen worden voorzien van eenvoudige ingeritste versieringen in exact dezelfde stijl ingevoerd als bij de kleipijp. Ook hier is sprake van een gecombineerde techniek van stempelen en snijden. Deze pijpen zijn een prachtig voorbeeld van getrouwe navolging van het ene in het andere materiaal.

Wanneer de kwaliteit van het meerschuim onregelmatigheden of insluitsels vertoont was het onmogelijk het oppervlak glad af te werken. In die gevallen werd door de snijder een subtiel graveerwerkje aangebracht of bedacht men ornamenten om de oneffenheid te verdoezelen. Een mooi voorbeeld daarvan is een soort tempeltje dat zonder enige functie op een pijp is aangebracht (afb. 69) en dat louter dient om een groef in het meerschuim te camoufleren. Hier is dus niet sprake van de behoefte tot versieren doch slechts van de noodzaak imperfecties te camoufleren. In veel gevallen worden vlot gegraveerde bloemmotieven toegepast om een oneffenheid in de steen te verdoezelen. Ook het stippelen van het oppervlak dient er voor de aandacht van verkleuringen en insluitsels af te leiden (vgl. afb. 82).

Een bijzondere maar zeldzame decoratie is om het meerschuimoppervlak met motieven te graveren en deze in te leggen met zilver (afb. 70). In sommige gevallen is dat zilverwerk zelfs nog voorzien van aanvullend graveerwerk waardoor het resultaat buitengewoon chique wordt. Al in de negentiende eeuw werd de meerschuim pijp ook wel verpakt in plaatmetaal dat werd verguld terwijl dit metaal in zeldzame gevallen zelfs van een gedreven of gestanste versiering werd voorzien. Omdat het meerschuim volledig aan het oog onttrokken is, worden zij nauwelijks nog als meerschuim pijpen herkend.

Bij de bruyère modellen in meerschuim uitgevoerd dient het oppervlak volmaakt glad te zijn, Vertoont het meerschuim toch te veel onregelmatigheden dan camoufleert men deze met een ingekrast bloemmotiefje of ander ornamentje. Verder bestaat er nog een ander alternatief: het oppervlak kan met kleine gaatjes geboord worden waardoor een soort kantachtig effect ontstaat. Vooral bij regelmatige patronen levert dit een kenmerkende uitstraling op. Bij het roken kleuren deze gaatjes het eerst en geven de pijp een bijzonder voorkomen. Naast boringen van gewone gaatjes worden soms ook andere geometrische motieven bedacht (afb. 71). Een geraffineerde uitwerking toont een tonvormige pijpenkop voorzien van een dergelijke boring (afb. 72), al is hier de ketelwand deels losgedraaid zodat het effect van het kleurcontrast nog sterker wordt omdat de losse buitenschil nauwelijks zal kleuren.

Ingekraste en ingesneden decoraties liggen altijd verdiept ten opzichte van het oppervlak van de pijp en tasten daarmee het model niet aan. Zij worden pas aangebracht nadat de pijp volledig is vormgegeven. Anders is dat met reliëfversieringen, die uit het oppervlak steken en die altijd enigszins vormverdoezelend werken. Daaraan is de volgende paragraaf gewijd.

Reliëfdecoraties
De reliëfpijp komt al ruim voor het jaar 1800 op de markt al is over de vroegste exemplaren niet veel bekend. De overgeleverde stukken stammen overwegend uit de negentiende eeuw en dit materiaal is in drie subgroepen te verdelen. De eerste is de wijze van uitvoering: het vlakke reliëf tegenover een hoog en dus diep uitgestoken versiering. Als tweede biedt de mate van decoreren een mogelijkheid tot indelen: volledig gedecoreerd inclusief de steel, rondom de ketel of alleen aan de voorzijde van de pijpenkop. De derde is een indeling naar voorstelling ofwel naar de iconografie van de uitbeelding.

Het onderscheid tussen vlak- en hoogreliëf komt het best tot uiting door twee contrasterende decoraties te tonen. De eerste illustreert in subtiel vlak snijwerk een staande jager (afb. 73). De hoogste delen van het reliëf verschillen niet meer dan een paar millimeter van elkaar maar toch is de snijder er in geslaagd een treffende driedimensionaliteit te realiseren. Lijnrecht hier tegenover staat een pijp met een jachtscène waarbij jagende ruiters en hun honden een hert aanvallen (afb. 74). Bij dit product ligt de decoratie dik op het eigenlijke pijpmodel en valt bijna een centimeter verschil in diepte te ontwaren. Om het zwaar uitgevoerde reliëf tegen breuk te beschermen zijn veel uitstekende details op vernuftige wijze toch met de ketel verbonden.

De keuze voor het soort reliëf heeft vaak een relatie met het onderwerp maar vooral met de werkwijze en het artistieke vermogen van de snijder. Het belang van het eindresultaat is niet afhankelijk van de zwaarte van het reliëf doch van de vakbekwaamheid van het snijwerk. De mate van realisme en artisticiteit bepalen of een pijp van hoge kwaliteit is. Uiteraard is het snijwerk slechts een van de criteria die de prijs en dus de appreciatie van de meerschuim pijp uitmaakt. De kwaliteit van de grondstof, het formaat en de vormgeving van de pijp zijn de andere factoren.

Het schema van decoratie is een tweede factor om meerschuim pijpen in te delen. Het meest opvallend zijn de overversierde pijpenkoppen waarbij om de ketel een rondlopende decoratie is aangebracht, maar ook de onderzijde en de steel van snijwerk zijn voorzien. Het lijkt erop dat dergelijke druk versierde pijpen al vanaf de achttiende eeuw zijn gemaakt. Een voorbeeld van een volledige decoratie toont een imposante pijp met aan de voorzijde een ovaal met Diana als godin van de jacht, de achterzijde laat een Bacchusfiguurtje op een vat zien (afb. 75). Beide ovalen zijn opgenomen in een overwoekerende ornamentele decoratie waarin bloemguirlandes, engeltjes en twee staande naakte figuren op de steel. Deze decoratie is tegen een gecanneleerde achtergrond aangebracht zodat geen enkel plekje op de pijp onbewerkt bleef. De overwoekerende versiering wordt voortgezet in het gekunstelde gedreven zilveren deksel.

Naast groots opgezette decoraties met een fors reliëf bestaat er minutieus werk, dat bijna als een soort gravure tamelijk priegelig is uitgevoerd, maar ook de hele pijp kan bedekken. Een voorbeeld daarvan is een pijp met een muziektent in een park, waarbij alle details even veel aandacht kregen (afb. 76). Overigens waren dergelijke voorstellingen blijkbaar niet het meest geliefd, want zij zijn beperkt uitgevoerd. Een klein pijpmodel is in dezelfde trant versierd en is gewijd aan de jacht. De decoratie is opnieuw in een subtiel reliëf uitgevoerd en vol van details (afb. 77) al is hier niet sprake van een enkele scène doch van een hoofdvoorstelling aangevuld met panelen met afzonderlijke afbeeldingen van nog meer jachtscènes.

Eenvoudiger maar vaak indringender zijn de tabakspijpen met een enkelvoudige voorstelling die naast de druk versierde pijpen in de handel waren. Bij dergelijke producten spreekt het model van de pijp sterker en soms wordt de kracht ervan door dit toegevoegde reliëfwerk zelfs niet aangetast (afb. 78). Het formaat en de diepte van het reliëfwerk loopt uiteen van subtiele vlakke voorstellingen tot expliciete sterk driedimensionaal uitgevoerde stukjes snijwerk. De onderwerpen hierin komen nog nader ter sprake maar zijn niet heel gevarieerd.

Wanneer het oppervlak van het meerschuim zich niet goed glad laat afwerken, iets dat grote vakbekwaamheid vraagt, wordt het onversierde gedeelte geruwd (afb. 79). Doorgaans gebeurt dit met een regelmatig patroon van stippen die verkleuringen, oneffenheden of ingezette stukjes moesten verdoezelden. Vermoedelijk ontstond deze techniek in Duitsland waar men doorgaans over een mindere kwaliteit meerschuim beschikte. Ook in Oostenrijk-Hongarije is deze werkwijze wel toegepast, veelal uit noodzaak overigens.

De meest bescheiden decoraties zijn alleen aan de voorzijde van de ketel aangebracht. De pijpendraaier spaarde het blokje meerschuim uit dat later door de snijder zou worden vormgegeven. Vaak gebeurde dat snijden in de fabriek zelf en meestal gaat het dan om een standaard voorstelling. Sommige luxe pijpenwinkels kochten dergelijke onafgewerkte pijpen in en verzorgden zelf snijwerk op verzoek. Dan koos de klant voor een persoonlijke voorstelling zoals zijn familiewapen, een monogram of zijn initialen.

De pijpen van massameerschuim zijn doorgaans veel minder artistiek gesneden en omdat het materiaal niet zo mooi van uitstraling is loopt de versiering vaak rondom. De bekendste soort is de zogenaamde herderspijp in het Engels lap-pipe geheten (afb. 80, noot 84), die rond 1880 is bedacht. Het is de laatste pijp met een reliëfdecoratie die brede verspreiding krijgt. De ketel heeft een Hongaars model, soms met een bescheiden filtrand en de steel eindigt in een manchet. De decoratie start met vlot gesneden krijgers en boeren, maar zakt snel af tot paarden in galop, soms ook herten, een reebok, honden of konijnen. De decoratie loopt niet alleen om de ketel maar vaak is ook de onderzijde versierd bijvoorbeeld met een voluutje, al dan niet met rocaille. Het gaat om pijpen overwegend uit Ruhla met een antieke patina als afwerking (noot 85). De kwaliteit van deze producten staat diametraal tegenover de mooie verfijnde exemplaren uit de vroegere periode. De jaartallen die deze pijpen vaak dragen is een mode apart die rond 1880 inzet. Aanvankelijk zijn deze tien tot twintig jaar ouder, later zelfs enkele generaties. De jaartallen onderstrepen het belang die de burgerman in die periode aan een antieke pijp hechtte. Hoe dan ook, rokend uit composiet meerschuim zal de gebruiker nooit de juiste meerschuimervaring hebben gekregen. Voor de Eerste Wereldoorlog verdwijnt de herderspijp van de markt.

De in reliëf versierde meerschuim pijp kunnen we tenslotte naar onderwerp van de decoratie indelen. Door de tijd heen laat de voorstellingswereld duidelijke verschuivingen zien, die een nauwe relatie tot de klantenkring en de mode van het moment verraden. Kenmerkend is dat het reliëfwerk met bijna volkskunstige thema’s begint, zich snel ontwikkelt waardoor de onderwerpen elitair worden om vervolgens weer af te zakken om met burgerlijke voorstellingen te eindigen. De bloeiperiode van het snijwerk ligt tussen 1830 en 1850 voor de gewone tabakspijp, voor de sigarenhouder loopt deze tot ongeveer 1900 door. Uiteraard zijn er incidenteel ook na die bloei nog prachtige stukjes snijwerk gemaakt, soms met eenmalige uitbeeldingen.

Na een fase van ornamentele pijpen, vooral onder Turkse invloed, krijgt het snijwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw meer specifieke decoraties waarin mens en dier centraal staan. Het onderwerp is vaak volkskunstig en bevattelijk, soms met een link naar de historie. Wanneer de kwaliteit van de pijp op hoger niveau komt, vindt dat ook zijn neerslag in het onderwerp. De in Oostenrijk gemaakte versierde pijpen zijn gericht op de meer vermogende en dus ook meer ontwikkelde klantenkring. De ene groep is de geletterde roker voor wie Latijnse en klassieke onderwerpen op de markt komen. Niet verwonderlijk dus dat we bijvoorbeeld Diana als godin van de jacht uitgebeeld zien (vgl. afb. 75). Voor de Oost-Hongaarse markt ontstaan vooral historische scènes met de roemruchte geschiedenis van dat gebied als onderwerp.

De Duitse pijpenmakers spelen met hun afbeeldingen minstens even sterk op de markt in. In een plaats als Ruhla wordt een breed scala aan onderwerpen uitgewerkt, die vooral goed verkoopbaar zijn. Voor ieder mogelijk marktsegment zijn pijpen met een passende decoratie beschikbaar of het nu om verkoop naar het oosten of naar het westen ging. Zo zien we pijpenkoppen met op de Hongaarse historie geënte onderwerpen naast West-Europese uitbeeldingen al is de stijl van dit werk op Weense voorbeelden geïnspireerd.

Geliefde motieven zijn enkelvoudige voorstellingen zoals vorstenafbeeldingen bestemd voor de algemene markt. Vooral keizer Napoleon is op honderden pijpenkoppen uitgebeeld, doorgaans als ruiter te paard (afb. 81). Het ruiterportret van Frederik II lijkt minder populair te zijn geweest. Een wonderlijke combinatie toont de beide bevelhebbers op een pijp, voorzien van een toepasselijk onderschrift (afb. 82), aangebracht als rondlopende decoratie. Slechts een enkele pijp lijkt gepersonifieerd en is op verzoek van een speciale klant gemaakt, doorgaans naar een bestaande afbeelding.

Andere populaire voorstellingen zijn ontleend aan de jacht, een belangrijk tijdverdrijf in het Duitstalige gebied. De uitbeeldingen lopen uiteen van eenvoudige herten in landschap tot uitgebreide weergaves van jagers met vluchtend wild, omgeven door jachthonden (vgl. afb. 74). Tot dezelfde algemene categorie behoren ook galante scènes, waarvan bijvoorbeeld de muziektent al ter sprake kwam (vgl. afb. 76). Wonderlijk genoeg is het scala aan onderwerpen op de traditionele meerschuim tabakspijpen toch tamelijk beperkt. Van een echte mode in voorstellingen zoals we in diezelfde periode bij bijvoorbeeld de porseleinen pijp zien, is bijvoorbeeld geen sprake. Het lijkt er op dat de porselein roker sterker picturaal was ingesteld, terwijl het bij de meerschuim roker eerder om het gebruikscomfort ging.

Qua onderwerp bestaan er verder heraldische afbeeldingen in opdracht gesneden aan de hand van een cachet of andere wapenvoorstelling (afb. 83). Zij zijn het ultieme persoonlijke rookgerei en waren vaak een geschenk van een dierbare. Wie geen familiewapen had kon zijn initialen in een monogram of op een rij op de pijp laten uitsnijden (afb. 84). Meer algemene voorbeelden laten een embleem of orde zien (afb. 85). Dergelijke producten kwamen uit de gevestigde fabrieken maar werden ook veel op lokaal niveau door een meerschuimsnijder afgemaakt. Pijpen met een wapen, monogram of embleem behouden hun oorspronkelijke model en de bescheiden decoratie is daarop een welkome toevoeging.

Tot slot is er nog een restgroep aan onderwerpen. Op de modieuze hoge Hongaarse kop worden geregeld historische ornamenten toegepast bijvoorbeeld door empire of gotische motieven te gebruiken. Bij één exemplaar is de ketel rondom gedecoreerd met palmetten in een schikking die aan spitsbogen doet denken(afb. 86). In veel gevallen wordt het klepdeksel op een bijzondere wijze in de versiering opgenomen en dat onderstreept de optimale samenwerking tussen pijpenmaker en zilversmid. Een meer behoudende versie laat binnen een architecturaal gotisch traceerwerk een landschap met hertjes zien en is bestemd voor de burgerlijke roker (afb. 87). Wat later worden Lodewijk XIV of rococo elementen gebruikt, doorgaans niet als hoofdonderwerp maar als omlijsting van de voorstelling.

Een mooi voorbeeld van een late reliëfpijp is de pijp waarvan de ketel aan de onderzijde gehouden wordt door een vogelklauw (afb. 88). Ook bij dergelijke pijpen is het model niet aangetast, de decoratie is op meer of minder plastische wijze op de pijp aangebracht en vormt een welkome toevoeging.

Voor de tabakspijp verliest de reliëfdecoratie na 1860 zijn belang al blijft de interesse in het burgerlijke milieu bestaan. Snijders met artistieke kwaliteiten richten hun aandacht sterker op de figuratie van de sigarenpijp die na 1860 het modebeeld bepaalt. Na 1890 verarmt de reliëfpijp en verwordt tot een conceptueel artikel. De reeds besproken herderspijp is daarvan het beste voorbeeld. Hoewel de reliëfversiering een zekere belangstelling blijft behouden, komt er in de twintigste eeuw niet veel bijzonders meer tot stand.

Figuraties
We spreken van een figurale pijp wanneer het hoogreliëf zo sterk is dat het de vorm van de pijp loslaat en gaat overheersen. Het figureren van pijpen is zeker niet door meerschuimsnijders bedacht maar is afgekeken van pijpen van andere materialen. In de porseleinfabriek worden vanaf 1740 al prachtige figurale pijpen gemaakt, maar ook talloze houten pijpen vertonen volkskunstig snijwerk met een hoge graad van perfectie en een volwaardige figuratie.

De vroegste figurale meerschuim pijpen hebben de vorm van een mens- of dierfiguur, waarbij het dekseltje op de ketel vaak onderdeel van de voorstelling uitmaakt. Bij de eenvoudige voorbeelden is de meerschuimklomp soms nog in het ontwerp zichtbaar, geslaagde producten zijn levensechter uitgevoerd en zijn volmaakte beeldhouwwerkjes. Een zittende Sint Joris (afb. 89) heeft met zijn geringe detaillering en weinig scherpe model een niet erg krachtige uitstraling. Interessant bij dit ontwerp is wel de schuinse plaatsing van de figuur, die de driedimensionaliteit versterkt. Het veronderstelt een artistieke visie bij de snijder al bleef zijn technische vaardigheid daar bij achter. Kenmerkend detail is verder de getande monsterkop op de steel die hier naar de draak lijkt te verwijzen. Dergelijke monsterkoppen komen we bij vroege versierde meerschuim pijpen vaker tegen.

Tegenover deze primitieve figuurpijp staat eveneens een vroege in hoogreliëf gesneden tabakspijp met twee stroomgoden als thema. Bij dit product is het model van de pijp – een hoge Hongaarse ketel – volledig verdoezeld door de voorstelling van de twee zittende figuren, omringd door rietpluimen en ander gewas (afb. 90). De fijngevoelige decoratie is buitengewoon levensecht uitgevoerd en is een uitzonderlijke prestatie. Wel heeft deze figurale pijp sterk een zichtzijde vanaf de voorkant, van de zijde van de roker valt er weinig aan te beleven. Hoewel dat de statuswaarde van het object benadrukt doet het aan de figuratie wel te kort. Volgens overlevering zou de pijp een geschenk van de Oostenrijk-Hongaarse keizer aan een lid van de Russische tsaren familie zijn geweest (noot 86).

Gefigureerde tabakspijpen komen vanaf 1860 algemeen in de mode. In die periode ontstaat er een duidelijke tweestroom. De eerste is de belangstelling voor portretten van mens en dier. Het ligt voor de hand om hoofden of borstbeelden als uitgangspunt voor een pijpenkop te nemen, omdat de ketelvorm van de pijp zich gemakkelijk laat wegwerken. Daarnaast was het roken uit pijpen in de vorm van hoofden al lang een gebruik. Deze mode is waarschijnlijk aan de figurale kleipijp ontleend. De uitwerking in meerschuim levert echter een grotere levensechtheid op dan met een persvorm voor kleipijpen mogelijk was en juist dat maakte deze pijp zo populair.

Bij de portretpijpen domineert het borstbeeld waarbij kledij de vorm afmaakt en soms bijdraagt tot de identificatie van de voorgestelde. Losse hoofden zien we veel minder vaak. Qua uitbeelding onderscheiden we twee soorten: bestaande personen zowel historisch als comtemporain naast fantasieportretten. Zo is er van de schilder Rubens (afb. 91) een prachtig portret gemaakt, maar ook denkers, componisten en vorsten werden in een pijp vereeuwigd. Grote prestigieuze stukken met een goede gelijkenis bestaan naast kleinere exemplaren overigens vaak van een even grote artistieke kwaliteit. Pijpen met bestaande personen als onderwerp worden aangeschaft door rokers die daarmee een persoonlijke boodschap van sympathie willen uitdragen.

Als tweede bestaan er de karakters en typen zoals een Indiaan, een creoolse (afb. 92), zoeaaf (afb. 93) of algemeen type als bijvoorbeeld een veldwachter (afb. 94). Andere snijders richtten zich op galante damesportretten, meestal als borstbeeld en vooral gekenmerkt door linten en rozen in het haar of op de hoed (afb. 95). Dergelijke fantasieportretten worden doorgaans door minder getalenteerde snijders gemaakt die niet het vermogen hadden levensecht te portretteren. Hoewel er in deze categorie fantastische stukken zijn gemaakt, munten vooral de latere pijpen niet uit door getalenteerd snijwerk.

Helaas zijn weinig pijpen aan een maker toe te schrijven vooral omdat in dit genre eindeloos over en weer is nagevolgd. Enkele ontwerpen worden wel toegedicht zoals de pijp door de snijder Hartmann uit Wenen (afb. 96) die een specifieke wijze van vormgeven had die zich duidelijk laat onderscheiden. Uiteraard blijft het hier opnieuw onduidelijk waar de grens ligt tussen de meester en de navolger omdat een bekwame snijder ieder ontwerp kan nasnijden zodat deze niet van de oorspronkelijke schepping te onderscheiden is. Een categorie apart vormen de dierenkoppen: een paard, zwijn (afb. 97), koe (afb. 98) of stier, opnieuw uiteenlopend van zeer treffend en levensecht tot eenvoudig en meer schetsmatig.

Naast tabakspijpen zien we sigarenhouders met een figurale voorstelling. Ontwerptechnisch hebben sigarenpijpen als voordeel dat de bescheiden trechtervormige ketel gemakkelijk kan worden toegevoegd, waardoor de sculpturale uitwerking vrijer kan zijn en dus vaak geslaagder is (afb. 99). Aanvankelijk is de sigarenhouder een exclusief artikel voor een elitaire doelgroep. Dan gaat het om houders in kleine oplage gemaakt voor gefortuneerde klanten. Favoriet worden licht erotisch getinte voorstellingen zoals een liggend naakt in een gekunstelde bijna acrobatische houding (afb. 100). Echte pikante scènes zijn echter zeldzaam, zoals een liefdespaar op de stoel (afb. 101). Bij beide exemplaren is sprake van een volsculptuur die rondom bewonderd kan worden. Minder stout is een geklede vrouw, al is de sigarenhouder hier wel op een betekenisvolle plaats aangebracht (afb. 102).

Bij de sigarenhouders is vooral op de hoornvormige pijp in een breed scala aan onderwerpen uitgevoerd. Veel ervan zijn vooral plaatjes met een duidelijke zichtzijde, meestal aan de linker kant van de pijp zoals een liggend naakt begluurd door een faun (afb. 103). Minder opmerkelijk maar niet minder verdienstelijk van snijwerk is een zittende Napolitaanse visser compleet met tabakspijp (afb. 104). Naast deze sculpturen op hoornvormige pijpmodellen of andere vormen is er de sigarenhouder waarvan de ketel een portret of dierenkop voorstelt. De hierbij afgebeelde struisvogel is daarvan een mooi voorbeeld (afb. 105).

Na 1880 veralgemeniseert de sigarenhouder en komt overwegend regulier goed tot stand dat gaandeweg over gaat in massaproductie. De eindelozen reeks paardjes, hondjes en herten zijn daarvan het beste voorbeeld. Zij worden tot in de jaren 1920 gemaakt en de detaillering wordt steeds slechter. Uiteraard houdt dat verband met de minder kritische klantenkring.

Interessant is het verschil in stijl tussen de figurale pijpen uit Europa en die uit de Verenigde Staten. De Europese producten kenmerken zich doorgaans door een sterkere driedimensionaliteit, een grotere verfijning en meer originaliteit. De Amerikaanse tegenhangers zijn gemiddeld wat groter en massiever en vooral ook minder elegant. Bovendien lijkt de Amerikaanse nijverheid sterker op productie gestoeld: er werd in grotere series gewerkt terwijl echt artistieke pijpen slechts beperkt tot stand kwamen.

Tenslotte behoort tot de groep figurale pijpen nog het prestigeproduct, de bovenmatig grote pijp gemaakt als presentatiestuk voor een pijpenwinkel of om op een nationale of internationale expositie te worden getoond. Dergelijke pijpen zijn niet bedoeld om te roken, maar dienen louter een pronkfunctie. Iedere zichzelf respecterende pijpenwinkel had een dergelijk stuk centraal in een vitrine staan om de aandacht te trekken. Hoewel van dit pronkgoed relatief veel bewaard is gebleven, werden zij toch slechts zelden uitgevoerd. Niet in de eerste plaats omdat de grote brokken meerschuim schaars waren, ook omdat de kostprijs hoog was en daardoor het aantal liefhebbers gering was.

In de moderne tijd zet de figuratie zich zonder grote wijziging voort. Wel loopt het aandeel sigarenhouders na 1920 fors terug. Voor de tabakspijp blijft de figuratie van belang. Nadat Turkije in 1961 zijn meerschuim monopolie bestendigde, kwam niet het meest aantrekkelijke materiaal tot stand. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de figurale pijpen uit de catalogi van die periode (vgl. afb. 17, 18). Vooral de figurale koppen zijn in vergelijking tot het Weense en Duitse werk grof en laten weinig verfijnde gelaatstrekken zien. Een roker die zichzelf respecteerde zal eerder voor een afgewogen onversierd model hebben gekozen.

Montage en verpakking
De montage van de meerschuim pijp gebeurt zo veel mogelijk in harmonie met de pijpenkop zelf en onderstreept de mate van luxe. In de achttiende eeuw wordt de pijp nog dikwijls met messing gemonteerd, dat al gauw verzilverd of verguld wordt. Vanwege de exclusiviteit van het meerschuim is zilver als materiaal het meest geschikt omdat het beter aansluit bij de status van de pijp. De montages variëren van een bescheiden bandje en een dun klepdekseltje (vgl. afb. 29, 47) tot prachtige stukjes zilversmeedwerk (vgl. afb. 84). Wie echter goed kijkt ziet dat veel werk in serie is gemaakt: de randjes worden machinaal gedrukt zodat de onderdelen alleen aaneen gesoldeerd behoeven te worden. Dat het ook hier om producties op grote schaal gaat blijkt uit het feit dat van vrijwel ieder deksel na enig zoeken een tweede te vinden is.

De tabakspijp werd aanvankelijk afgemonteerd met een roer van hout voorzien van een buffelhoornen eind waarin vaak een slap, een flexibel gedeelte is opgenomen. Het gaat om zogenaamde klemroeren die in de manchet of manchethouder passen en met en borgkoordje worden vastgezet om te voorkomen dat de pijpenkop van de steel af zou schieten. Na 1850 verschuift het accent van de pijpenkop naar de complete pijp. De steel van barnsteen raakt in de mode, die met een schroeftap van gedraaid been aan de meerschuim tige wordt gemonteerd. De diameter van de steel en die van de tige zijn gelijk en geven het pijpmodel een vloeiende lijn. De verbinding met een schroeftap heeft slechts één nadeel: onvermijdelijk slijt deze na jaren uit waardoor het mondstuk doordraait en niet goed meer aan de pijp zit. Indertijd kon zo’n mankement overigens bij iedere speciaalzaak worden verholpen.

In het gebruikte barnsteen zien we grote verschillen. Uiteraard heeft dat primair met de natuurlijke aard van deze fossiele hars te maken die grote verschillen in kleur en transparantie laat zien. Daarnaast is de keuze ook afhankelijk van de lokale smaak. In sommige gebieden is barnsteen alleen geliefd wanneer het nagenoeg transparant is, zoals in de Verenigde Staten. Ervaren rokers weten echter dat het wolkige barnsteen sterker is en dus slijtvaster en prefereren juist die soort.

Ruim voor het eind van de negentiende eeuw komen allerlei imitatie barnsteensoorten op de markt. Het Nederlandse ambroliet, afgeleid van het Franse ambroïde, wordt volgens zeggen gemaakt van barnsteengruis dat onder hoge druk wordt geperst. Dan wordt het voor de fabrikant gemakkelijk om de pijpen op verzoek in de juiste kleur te monteren. Het onderscheid tussen echt en vals barnsteen is heel moeilijk vast te stellen. Duidelijk is dat er veel meer imitaties op de markt waren dan we denken. Na 1900 ontstaan nieuwe barnsteenimitaties met een breder kleurengamma. Celluloid is daarvan een goed voorbeeld, later vervangen voor juwelith en andere kunststoffen. Per periode wisselt de voorkeur van de roker tussen transparante roeren en de gemarmerde imitaties. Vanaf 1960 wordt vrijwel uitsluitend nog een plastic roer toegepast. Voor veel hedendaagse rokers refereert dat materiaal nog amper aan het oorspronkelijke barnsteen roer.

De kwetsbaarheid van het meerschuim en vooral de breukgevoeligheid van het snijwerk hebben er voor gezorgd dat iedere pijp in een eigen foedraal werd verkocht. Basis voor zo’n foedraal is een houten doosje, nauw om het voorwerp gesneden en vervolgens bekleed. Aan de binnenkant zien we aan de ene zijde fluweel, de andere meestal zijde of een imitatie daarvan. De buitenkant wordt met dun leer beplakt, in bruin, rood soms ook groen of een andere kleur. De vroegste cassettes zijn soms primitief en aan de buitenzijde nog niet zo mooi strak. Zij vertonen dikwijls gelijkenis met die voor kostbaarheden van goud en zilver. Langs de buitenranden zijn zij voorzien van goudstempels waarmee ook boekbanden werden opgesierd (afb. 106).

Vanaf 1840 is de fabricage van de pijpenetuis volledig gestandaardiseerd en wordt door gespecialiseerde werkplaatsen verricht. Qua type bestaan er twee soorten waarvan de opbergdoos waarin het voorwerp in zijn geheel verdwijnt de bekendste is. Tot circa 1850 bevat zo’n pijpenfoedraal alleen de pijpenkop (afb. 107), de steel werd separaat bewaard. Ten behoeve van het gebruik zijn soms de manchet en ketelopening in het etui uitgespaard en in die gevallen kan de pijp zelfs in het foedraal worden gerookt (afb. 108). Zo’n foedraal biedt tijdens het gebruik een optimale bescherming voor het kwetsbare meerschuim en wordt in Frankrijk étui à la coquille genoemd. Wanneer na 1850 de pijpenkop en de montage sterker één geheel vormt omsluit het foedraal de volledige tabakspijp, de steel inclusief (afb. 109). Dat gebeurt wanneer het lange roer plaats maakt voor een korte barnstenen steel. Zo kan de pijp veilig worden meegenomen.

Eenmaal gestandaardiseerd zien we in de etuis in de loop van de decennia weinig verandering. In feite blijven zij gelijk totdat in 1960 de foedralen met een houten kern van de markt verdwijnen. Dan wordt de pijp afgedrukt in een houtpasta waarna de beide etuidelen met skai worden bekleedt, de binnenzijde is beplakt met een veloursachtige nepstof. Uiteraard past die verarming is het algehele beeld van de meerschuim pijp, die kwalitatief steeds verder was afgezakt.

Het etui biedt een geschikte mogelijkheid tot het plaatsen van een merk of beter een adres. Dat kan op verschillende manieren gebeuren: met een etiket (afb. 110) of een preegstempel al dan niet met goud (afb. 111) of met inkt dan wel met verfstof. Ongeveer de helft van de etuis is van een etiket of tekst voorzien. Het etiketmerk met de naam compleet met het adres is het meest informatief. Hoewel het lijkt alsof we met de maker van doen hebben, is dat meestal niet het geval. Het gaat doorgaans om de verkoper, de winkelier of detaillist dus, die deze opschriften liet aanbrengen uit oogmerk van reclame maar ook om zijn nering de status van een fabriek te geven. In andere gevallen betreft het de naam van een handelshuis die de verkoop verzorgde. De werkelijke pijpenmaker of fabrikant blijft doorgaans buiten het gezichtsveld.

Etiketten die de sfeer van de supergespecialiseerde pijpenwinkel oproepen dragen namen als “Au Pacha”, of “Au Phenix” (afb. 114), doorgaans voorzien van het adres van de winkel (noot 87). Een heel toepasselijke naam is “Aux Carrières d’écume” van Sommer uit Parijs (afb. 115). Na 1900 overheerst de persoonsnaam van de winkelier, vaak inclusief adresvermelding. Dankzij deze etiketten krijgen we een beeld van de toonaangevende pijpenwinkels in West-Europa, dat overigens niet indrukwekkend groot blijkt te zijn. In het westen is Parijs (afb. 115) het belangrijke centrum al zijn ook in andere Franse steden goed gesorteerde winkels met een eigen label te vinden. In België is die cultuur minder sterk aanwezig, naast Brussel (afb. 116, 117) kennen we het bestaan van gerenommeerde huizen in Antwerpen en Luik. Voor Nederland geldt dat alleen voor Amsterdam (afb. 118) en ’s-Gravenhage (afb. 119).

Iets minder dan de helft van de gemerkte foedralen noemt geen winkeladres maar geeft een algemene aanprijzing van de waar. Die teksten zijn in verschillende talen gesteld, zoals Véritable écume (afb. 121), Schiuma garantita, Warranted genuie meerschaum of Echt meerschuim en barnsteen. Dan betreft het producten bij kleinere pijpen- en tabakswinkels verkocht of afkomstig uit een bazaar of galanteriewinkel. Duidelijk mag zijn dat geen enkel kwaliteitsopschrift ook werkelijk een echtheidsgarantie is. Het gaat er slechts om de aanstaande roker met de juiste tekst tot aanschaf over te halen.

Sommige etuis dragen nog een aanvullende tekst. Zo schroomt men niet een eervolle vermelding op een wereldtentoonstelling te benutten om op de rand van het foedraal te plaatsen (afb. 110), ook wordt wel de levering van pijpen aan vorstelijke personen vermeld (afb. 111, noot 88). Zeldzamer is het wanneer op het etui de naam van de eigenaar wordt aangebracht of diens initialen en als dat gebeurt dan gaat het doorgaans om een stempel aan de buitenzijde van het foedraal (afb. 112).

Naast de etuis die vanuit de fabriek of de groothandel aan de pijp werden toegevoegd beschikten sommige rokers over een cassette of kistje waarin de pijp soms samen met het rookgerei werd opgeborgen. Deze op maat gemaakte kistjes onderstrepen het belang dat de gebruiker aan zijn rookgerei hechtte. Zo bestaan rechthoekige exemplaren (afb. 113) aan de buitenzijde belijmd met palissander of een andere tropische houtsoort waarin de pijpenkop samen met het roer werd opgeborgen. Aangezien de roeren uit verschillende in elkaar geschroefde onderdelen bestonden, konden deze ook gemakkelijk gedemonteerd worden opgeborgen in een speciaal bedachte schikking. Dergelijke op maat gemaakte kistjes werden als een bijzonder geschenk doorgaans in opdracht gemaakt.

Slotbeschouwing

Statuswaarde, appreciatie en kwaliteitsbepaling
Reeds in 1785 schreef de Duitse auteur Heinrich Stilling dat alleen meerschuim een gepast en waardevol geschenk was als teken van ware vriendschap (noot 89). Deze bewering is een indicatie dat de meerschuim pijp toen al een duidelijke statuswaarde had . Toch krijgt de meerschuim pijp nooit de verspreiding die de kleipijp en de latere bruyèrehouten pijp wisten te bereiken. Reden daarvoor is de relatief hoge prijs die de consument moest betalen. Een illustratie van het enorme prijsverschil is een vergelijking uit 1876 waarin gesteld wordt dat een gros kleipijpen minder kost dan één enkele meerschuim pijp van de goedkoopste soort (noot 90). De prijs zorgde er dus voor dat de meerschuim pijp een exclusief artikel bleef voor de bemiddelde, gemotiveerde roker met gevoel voor klasse.

Wanneer we het gebruik van de meerschuim pijp in de beeldende kunst beschouwen, dan blijkt daaruit dezelfde statuswaarde. In herbergtaferelen of in het boerenmilieu komen vrijwel nooit bijzondere pijpen voor laat staan exemplaren van meerschuim. Hier wordt volop uit kleipijpen gerookt, in de latere tijd afgewisseld met eenvoudige houten pijpen. De meerschuim pijp zien we slechts in gebruik in huiselijke sfeer en uitsluitend in de betere kringen. In het Biedermeiermilieu vormt de meerschuim pijp nog wel eens een luxe attribuut waarmee de geportretteerde zich extra cachet geeft. Verder bepaalde de welstand van het milieu of de meerschuim pijp uitsluitend bestemd was voor de zondag of vaker gebruikt werd. Pas als rust en status worden uitgedragen komt zij tevoorschijn; voor de werkende klasse is dat hoogstens eenmaal per week, voor de aristocratie kan dat dagelijks zijn.

Na de imposante biedermeier tabakspijp komt de meerschuim sigarenhouder in de mode, aanvankelijk bestemd voor de dandy. Het gaat niet langer om het massieve voorkomen, maar juist om het joyeuze, luchtige. Nadat de trend in de toplaag is gezet en de statuswaarde van de sigarenhouder is gevestigd, wordt deze gewoonte overgenomen door de burgerman. Het amusement en het stoute van de luxe pijpen verworden in enkele decennia tot het meest burgerlijke product, die duffe hondjes, paardjes en herten tonen die met weinig zwier gesneden zijn. Daarnaast blijft er altijd een kleine restgroep van elitaire rokers die wel gevoelig zijn voor mooie ontwerpen. Voor hen zijn de prachtige gezichtpijpen gesneden en de uitzonderlijke onderwerpen, vaak in kleine oplage of als unicum tot stand gekomen. Sterkste voorbeelden hiervan zijn natuurlijk de pijpen waarin een persoonlijk wapen, initialen of een naam verwerkt is. Dergelijke bijzondere voorwerpen benadrukken de artistieke waarde van de meerschuim pijp en staan diametraal tegenover het fantasieloze massaproduct.

De exclusiviteit van de meerschuim pijp wordt verder onderstreept door de beperkte beschikbaarheid. We zagen al dat de rokers in Budapest en Wenen al in de vroege negentiende eeuw in de diverse winkels een ruim aanbod vonden. Kwam je echter verder van het centrum van het Habsburgse Rijk, dan werd de keus steeds beperkter. Toch loopt de verspreiding van de meerschuim pijp ook over de Duitse staten, vandaar dat wel wordt gezegd dat de meerschuim pijp een artikel uit het Duitstalige gebied is. Het raffinement van de Duitse producten blijft overigens achter op het Oostenrijks-Hongaarse.

In Frankrijk was de ontwerplijn van de meerschuim pijp op de bruyèrepijp gestoeld. Vanaf 1850 domineerde Parijs het modebeeld, andere grote Franse steden volgden die lijn. In Nederland is het voorkomen van de meerschuim pijp beduidend minder courant omdat het cultuurgevoel er ontbrak. Het aantal winkels waar je in de negentiende of begin twintigste eeuw pijpen van meerschuim kon kopen was gering en beperkte zich tot enkele grotere steden. Zeker is dat de Nederlandse roker beperkt was in zijn keuze. De firma Wasmann in Amsterdam moet voor Nederland de belangrijkste zaak zijn geweest (afb. 118). Daarnaast waren er elders ongetwijfeld kleine winkels met een bescheiden assortiment waarin het algemene overheerste. Het economische rendement zal daar de selectie beperkt hebben tot de goedkopere standaardmodellen.

Voor de consument was de appreciatie van de pijp gelegen in de schoonheid die hij aan zijn rookinstrument toedichtte, maar uiteraard stond deze in nauwe relatie tot de wijze waarop de pijp zich tijdens het roken gedroeg. Het comfort van de pijp bleek uiteindelijk pas bij het gebruik. Overigens is het zo dat een goede roker uit een composiet pijp aangenaam kan roken, terwijl een haastige consument van de beste blokmeerschuim nog niet kan genieten. De persoonlijke waardering is dus buitengewoon subjectief en houdt bovendien nog sterk verband met de soort en snede tabak. Tenslotte was er nog de emotionele waarde van de pijp, veroorzaakt doordat het object een geschenk was van een dierbare, een herinnering aan een speciale gelegenheid of was gekocht op een memorabele plaats of op een bijzonder moment.

Tegenwoordig laten de rookeigenschappen zich helemaal niet meer inschatten, omdat we alleen kleur, textuur en gewicht van de pijp kunnen beschouwen, niet de smaak. Om die te leren kennen zou de pijp opnieuw moeten worden ingerookt. Zeker is dat er een geweldige productie aan valse meerschuim is geweest die nog maar zeer ten dele ontmaskerd is. Veel bewaard gebleven meerschuim pijpen moeten nog devalueren tot de categorie imitatie. Zelfs bij etuiopschriften als qualité sublime en qualité supérieure is er voldoende reden aan de zuiverheid van de grondstof te twijfelen. De misleiding van de consument van weleer zet zich dus voort in de beoordelingsbeperking van de hedendaagse verzamelaar of liefhebber.

Vanwege de populariteit van de meerschuim pijp is het dus niet verwonderlijk dat pijpenfabrikanten die andere materialen verwerken waar mogelijk gebruik maken van de positieve uitstraling van meerschuim. Het woord meerschuim is voor de roker synoniem aan vochtabsorptie en dus aan smaakvol roken. Fabrikanten en handelaren adverteren daarom hun kleipijpen met meerschaum clays of pipes light as meerschaum. Zelfs de maïskolf pijpenfabriek in Washington hanteert de aanduiding Missouri meerschaum, een volstrekt onterechte aanprijzing al zal die zeker een verkoopbevorderende werking hebben gehad.

Wanneer de pijp van rookinstrument een verzamelaarobject wordt, tellen de persoonlijke, emotionele en gebruikskwaliteiten niet langer. Dan spelen andere factoren en gaat het om de waardering voor de vormgeving en decoratie in samenhang met de kleur en patina die de pijp heeft gekregen. Deze beoordeling lijkt subjectief maar is dat niet, want zowel antiquairs als verzamelaars weten de artistieke kwaliteit doorgaans zodanig op waarde te schatten dat een vrij consistente prijsbepaling ontstaat. Slechts pijpen met extreem zeldzame thema’s of decoraties die een eigen verzamelcircuit kennen, zoals fietsen of erotiek, behalen beduidend hogere prijzen. Onvermijdelijk laten zich daarin wel modes en rages herkennen, waardoor bepaalde pijpen in een zekere periode meer waardering oogsten dan andere.

Overigens vinden verzamelaars het duiden van het meerschuim naar kwaliteit van gering belang. De rangorde van blokmeerschuim via Weense meerschuim naar pseudo of imitatie meerschuim is in het verzamelcircuit geen onderwerp. Hetzelfde geldt voor de montage: is er sprake van barnsteen of een imitatie van wat voor materiaal dan ook. De reden dat verzamelaars daarop maar beperkt letten, is dat velen niet in staat zijn het onderscheid te maken, begrijpelijk want dat is ook buitengewoon moeilijk. Bovendien is het onplezierig de mindere eigenschappen van een voorwerp dat men bewondert naar voren te brengen. Onvermijdelijk is het wel een belangrijk aspect van de juiste beoordeling wanneer men een pijp in de tijd wil plaatsen en vooral wanneer een poging tot toeschrijving aan een productiecentrum of maker wordt gedaan.

Datering en toeschrijving
Het is niet eenvoudig meerschuim pijpen te dateren en aan een regio of zelfs maker toe te schrijven. Probleem is niet alleen dat het moment van introductie nauwelijks te bepalen is, maar vervolgens dat veel modellen een lange productietijd hebben gehad en door kopiëren uit meerdere plaatsen bekend zijn. Het leren onderscheiden van de mode in het silhouet van de pijp is een belangrijk uitgangspunt voor een onderbouwde datering.

Veel pijpmodelen, versierd of onversierd, laten zich herleiden tot een zuivere grond- of basisvorm. Aangezien er altijd modeverschuivingen in deze basismodellen te onderkennen zijn, kan aan de hand daarvan de eerste grove datering worden gegeven. De periode die uit een dergelijke exercitie voortspruit, kan sterk schommelen. Langlopende modellen laten zich moeilijk in een scherpe datering vangen, bij kortstondige modes ligt dat soms wat gunstiger al blijft dat veel modellen na een periode van onbruik weer opnieuw op de markt zijn gekomen om vervolgens weer verdwijnen. Zo’n tweede of zelfs volgende modeperiode laat zich vaak moeilijk duiden.

Ook de stijl waarin de decoratie van een pijp is uitgevoerd geeft een mogelijkheid tot dateren. Wie de voorstellingen goed bekijkt zal altijd tijdgeboden en kortlopende motieven herkennen, zoals ornamenten ontleend uit de dan heersende stijlen. Verder zijn er talloze voorstellingen uitgevoerd die qua onderwerp maar een beperkte periode populair waren. De beste voorbeelden zijn uiteraard de portretten van eigentijdse figuren als vorsten, militairen en personen uit het politieke en culturele leven. Contemporaine actuele voorstellingen laten zich doorgaans ook scherp dateren.

Misschien lijkt het dat een makersmerk op de pijp of in het etui de datering makkelijker en nauwkeurige maakt. Schijn bedriegt hier echter, want over meerschuimmerken is nog maar weinig bekend. Absoluut zeldzaam zijn die producten waarbij de snijder met zijn naam of zijn initialen heeft gesigneerd (afb. 122). Meer algemeen is de afdruk van een fabrieksmerk op de manchet van de pijp. Vooral de grotere bedrijven hebben dit toegepast, aanvankelijk met een losse letter (afb. 123), later met initialen of de volledige naam van het bedrijf (afb. 124-127). Het gebruik is tussen 1830 en 1850 algemeen, wanneer de fabrieken elkaar met sterk vergelijkbare producten beconcurreren. Bij de grotere werkplaatsen continueren deze merken tot ongeveer 1900. Het voorkomen van een merk wijst doorgaans op een beter product uit een gevestigd bedrijf.

Een vierde dateringmogelijkheid vormt het beslag van de pijp. Veel van de metalen montages dragen ingeslagen merken die naar een streek of periode verwijzen. Wanneer het materiaal uit het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk betreft, zien we een gehaltemerk omgeven door de cijfers die het jaartal van afslaan aangeven. Hoewel dergelijke stempels vaak incompleet zijn afgedrukt en nog vaker sterk gesleten zijn, geven zij het object in ieder geval een scherpe datering. Naast dit keurmerk zien we vaak het meesterteken van de smid bestaande uit één of enkele initialen. Helaas zijn ook dergelijke stempels zelden nader te duiden. Verraderlijk bij het toeschrijven van pijpen op grond van de zilvermontage is dat pijpen in Wenen beslagen bijvoorbeeld in Buda of Pest kunnen zijn gemaakt. De handel in halffabricaten en ongemonteerde koppen is nu eenmaal zeer gangbaar geweest.

In Duitsland wordt het zilver minder consequent gekeurd en als dit is gebeurd zijn de merken ook minder interessant. Zij verraden het gehalte van het zilver, doorgaans uitgedrukt met het stempel “12” voor het aantal lots. Ook hier wordt soms een persoonlijk merkteken toegevoegd, maar helaas is het zeer moeilijk aan deze merken een maker te herleiden. Tenslotte bestaan talloze goedkope messing dekseltjes die van ingeslagen merken zijn voorzien. Zij verwijzen naar Duitse werkplaatsen die machinaal deksels en andere appendages maakten om aan pijpenmakerijen overal in Europa te verkopen.

Het belang van het etui als dateringsmogelijkheid kwam in een vorige paragraaf even ter sprake. De verandering in de gebruikte materialen van de foedralen leveren een mogelijkheid tot dateren. Zo is er in de jaren 1870 op de randen van de etuis een papieren biesje geplakt voorzien van bladgoud balletjes, kenmerkend voor een begrensde periode. Ook het slotje ondergaat in de loop van de tijd veranderingen. De beste mogelijkheid biedt echter het etuimerk, dat met behulp van lokale adresboeken soms een scherpe datering kan opleveren. Ook hiernaar is nog nauwelijks enig serieus onderzoek gedaan.

Het toeschrijven van een pijp van meerschuim aan de hand van gedrukte catalogi is zelden succesvol. Veel catalogi zijn door de concurrent benut om zich op te inspireren en pijpmodellen waren indertijd niet beschermd zodat namaken niet te verhinderen was. Veel ontwerpen zijn daardoor uit talloze bedrijven bekend en vertonen altijd weer een andere detaillering. Wel verraadt de stijl soms een tijdstip van ontstaan, waardoor de vroegste datering van een bepaalde voorstelling vastgesteld kan worden.

Samengevat is het dateren en toeschrijven van meerschuim pijpen dus geen eenvoudige zaak. Kritisch kijken en veel gezien hebben is de beste basis voor veel duidingen al blijft een voortdurend toetsen en herzien van de mening hierover noodzakelijk. In de toekomst zal onze kennis in dit opzicht nog sterk veranderen en vooral toenemen.

Tips voor rokers
Het roken van een meerschuim pijp geeft het ultieme rookgenot en dat kan elke pijproker het beste proefondervindelijk ervaren. Toch doen er over de meerschuim pijp nogal wat geruchten de ronde, waardoor het goed is enkele tips voor de aanschaf en het gebruik van een meerschuim pijp te geven. Om te beginnen iets over de keuze van het pijpmodel. Net zoals bij andere pijpen geldt, is de voorkeur voor een recht of gebogen model een persoonlijke preferentie of liever gezegd een kwestie van uitstraling. De keuze voor een bepaald formaat hangt samen met de gewenste duur van het roken van de pijp en is eveneens sterk persoonsgebonden.

De meerschuim pijp wordt weliswaar geleverd in een stevig etui, maar leent zich toch meer om in rust thuis te gebruiken dan om dagelijks in de zak mee te nemen. Juist omdat de pijp ontspannen thuis wordt gerookt, kan worden afgeweken van een beproefd model. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een pijp met snijwerk of zelfs een portretkop. Vooral de pijpen met een doorboord of geperforeerd oppervlak zijn typerend, hun soortelijk gewicht is geringer en de koelende werking groter. Een andere optie is een figuurpijp al is het zaak de ketel bij aanschaf goed te bestuderen. Sommige gezichtpijpen zullen namelijk nooit mooi doorroken omdat de ketelwand te grote dikteverschillen vertoont.

Een belangrijke maar lastige opgave is om het materiaal van de pijp te keuren: gaat het om het echte meerschuim, dat wil zeggen blokmeerschuim of is er sprake van persmeerschuim of erger nog van composiet. Alleen blokmeerschuim biedt de verlangde absorptie. Vandaag de dag is het niet eenvoudig een goede pijpenwinkel te vinden, laat staan een specialist die iets van meerschuim weet. Oriëntatie vooraf is raadzaam. Wie ooit in Istanbul op vakantie is geweest, weet dat meerschuim pijpen daar waar de grondstof vandaan komt, in elke winkelstraat of soek te koop zijn. Hoewel veel winkeliers zich als specialist presenteren, blijkt juist daar het aanbod vaak twijfelachtig van kwaliteit. Wat dat betreft is het beter naar een betrouwbare winkel te gaan waar u ook naar terug kunt keren.

De prijs voor een meerschuim pijp hang samen met drie fatoren: de kwaliteit van het mineraal, het formaat van de pijp en de geslaagdheid van het eindproduct. De beoordeling van de grondstof is buitengewoon moeilijk en hiervoor kan men beter op de vakman afgaan. De relatie tussen formaat en prijs is duidelijk: hoe groter de pijp hoe duurder. De geslaagdheid van het eindproduct is een subjectievere kwalificatie. Wat de een mooi vindt, spreekt de ander niet of nauwelijks aan. Prijzen variëren vandaag de dag van ongeveer tachtig euro voor een kleine pijp van goede kwaliteit tot ongeveer 250 voor de grotere stukken. Wanneer van een bijzonder stuk sprake is bijvoorbeeld door snijwerk of een uitzonderlijk mooie lichte steen dan kan de prijs verder oplopen.

Na aanschaf vangt eindelijk het genot aan: het roken. Het in gebruik nemen van een meerschuim pijp is eenvoudig. De pijp hoeft niet te worden ingerookt maar daarentegen moet de pijp al de eerste keer volledig worden gestopt. Dat is noodzakelijk om de pijp mooi egaal door te roken. Bij de eerste keren roken kan de afwerking met bijenwas een lichte bijsmaak geven, soms ook een onverwachte lucht. Na enkele malen opsteken is dat voorbij. Het is raadzaam de pijp altijd volledig leeg te roken en dat moet geen probleem zijn want opnieuw aansteken beïnvloedt de smaak niet.

Omdat meerschuim weinig warmte geleidt, wordt de pijp nooit heet en die eigenschap garandeert een koele rook. De absorberende werking van de steen zorgt verder voor een droge en dus smaakvolle rook. Die koelende werking is echter verraderlijk want daardoor neigt de roker harder te trekken met meer warmte tot gevolg. Dat is niet goed want de waslaag aan de buitenzijde verkleurt alleen bij een milde temperatuur, terwijl bij te grote warmte deze juist in de steen trekt en het kleuren belemmert. Wie dus te haastig rookt produceert te veel warmte met als gevolg dat de pijp niet zal kleuren. Om die reden zien we dat de steel vaak donkerder wordt dan de kop, omdat de temperatuur daar lager is.

Het geleidelijk doorroken en dus kleuren van de pijp is een bijkomend genoegen. Het geheim van dit verkleuringsproces heeft miljoenen rokers in de ban gekregen maar ook talloze pennen in beweging gebracht. Zo schreef een Fransman onder het toepasselijke pseudoniem Culot in 1866 een prachtig boekje over de techniek van het doorroken (noot 91). De door hem gekozen auteursnaam culot refereert overigens aan het residu van verbrande tabak dat in de pijpenkop achterblijft en daar een laagje vormt. Franstaligen hanteren daarnaast het woord la culotte, dat staat voor de uitwendige verkleuring (noot 92). In geen enkele andere taal bestaat daarvoor een woord.

Het standaardwerk dat Fairholt in 1859 over het roken schreef, geeft een mooi verhaal over het streven de pijp perfect door te roken (noot 93). Dat gaat uit van het niet laten afkoelen van het rookinstrument. Een gefortuneerde roker sprak daarvoor ooit een regiment soldaten aan die zijn pijp bij toerbeurt rookten, zonder dat deze ooit afkoelde. De eigenaar betaalde de tabak en toen na zeven maanden de pijp naar de opdrachtgever terug ging was deze prachtig donkerbruin gerookt maar werd tevens een rekening van 100 pond sterling gepresenteerd voor de geconsumeerde tabak. Waar of niet, het is een mooi voorbeeld van de status van een doorgerookte meerschuim pijp.

Het egaal doorroken van een pijp is dus een kwestie van behoedzaam gebruik. Zaak is langzaam te roken, zodat de verkleuring vanzelf volgt, zij het dat men wel geduld moet hebben. Van ivoor verandert de pijp in eigeel, bleekoranje, tot kastanjebruin en bruinrood toe. De meest extreme exemplaren worden uiteindelijk bijna zwart. De tint wordt veroorzaakt door tabakssappen in combinatie met warmte, doch wordt gestimuleerd door het roken bij kleine trekjes. Daarbij is het zaak de pijp geregeld te blijven gebruiken, bij voorkeur dagelijks of nog vaker, waardoor deze nooit geheel opdroogt en een egale kleuring ontstaat. Juist het feit dat het doorroken rust en geduld vraagt maakt deze bezigheid tot iets dat niet iedere pijproker eigen is. Wie de pijp slechts enkele malen per week rookt doet er eeuwen over deze op kleur te krijgen, omdat er nauwelijks transport van vocht door de pijp plaats vindt en de kleuring dus achterwege blijft.

Verschillende publicaties vermelden hoe behoedzaam je met een meerschuim pijp moet omgaan. Tijdens het roken wordt de waslaag aan de buitenzijde namelijk kwetsbaar en om ontsierende vingertasten te voorkomen is het gebruik van een lap raadzaam. Men adviseerde de meerschuim pijp in een zachte flanellen lap te roken of met een handschoen vast te houden. Het krassen zei men, kon al gebeuren met een harde lap en daarom vonden andere rokers alleen zijde geschikt. Hoewel lichtelijk overdreven geeft dit wel aan met hoeveel zorg dergelijke pijpen werden omringd. Het vasthouden van een meerschuim pijp is overigens geen bezwaar en er bestaat zelfs een theorie dat dit goed is voor de pijp. Wel is het verstandig de handen voor het roken te wassen, waardoor eventuele ruwe huidplekken door het vocht verdwijnen. Overigens heeft het vasthouden van de pijp ook een positieve eigenschap: het geeft een betere warmtegeleiding (noot 94).

Helaas levert het doorroken niet altijd een even perfect resultaat op. Reden van een vlekkerige verkleuring hoeft niet bij de roker te liggen het kan ook de aard van het meerschuim zijn die door wisselende dichtheid een ongelijke kleuring laat zien. Eerlijkheidshalve dient te worden opgemerkt dat het doorroken tegenwoordig een minder spannende bezigheid is dan vroeger. Reden daarvoor is dat de hedendaagse tabak grotendeels van teer en nicotine is ontdaan zodat echt donker doorroken vrijwel onmogelijk is. Bovendien is de tegenwoordige tabak te vochtig, met droge tabak wordt een beter resultaat verkregen. De beste kwaliteiten pijpen eindigen tegenwoordig soms meer grauwig dan diep donkerbruin. In zo’n geval valt de roker niets te verwijten, doch is de receptuur van de tabak de boosdoener.

Ten slotte nog enkele waarschuwingen. Meerschuim is gevoelig voor temperatuurverschillen. Er wordt gezegd dat het niet raadzaam is met een brandende pijp van een warme kamer de koude buitenlucht in te lopen om het risico van springen te voorkomen (noot 95). Het binnen roken is te prefereren, zeker in de winter terwijl tocht en trek een negatieve invloed hebben. Ook het neerleggen van een warme pijp op een marmeren tafel zou tot scheuren kunnen leiden. Na het roken is het niet verstandig de pijp direct in de foedraal weg te bergen. Het rustig uitdampen met een geringe luchtcirculatie is raadzamer en sommige rokers leggen de pijp op een stuk vloeipapier. Overdreven is wellicht het plaatsen van de pijp op een standaard nadat deze is gebruikt.

Over het schoonhouden van de meerschuim pijp bestaan nogal wat tegenstrijdigheden. Sommige rokers zeggen dat je de pijp altijd goed moet reinigen, terwijl anderen beweren dat je de zogenaamde croute, de laatste resten tabak juist in de pijpenkop moet laten zitten om een betere kleuring te bewerkstelligen. Zelfs daarin zijn de meningen dus verdeeld en zij zijn illustratief voor de uiteenlopende beschouwingen over het gebruik van de meerschuim pijp.

In het onderhoud is de meerschuim pijp betrekkelijk eenvoudig. Wat betreft de koollaag aan de binnenzijde van de ketel adviseer ik deze dun te houden maar nooit volledig weg te krabben. Bij het leegmaken van de pijp is het zaak voorzichtig te zijn en vooral de bodem van de pijp niet te beschadigen. Met een metalen pijpenkrabber kan deze in de loop van de jaren gemakkelijk en ongemerkt worden uitgeschraapt met alle nadelige gevolgen van dien. Verder is het raadzaam de pijp zo nu en dan aan de buitenzijde met een vochtige doek af te nemen en daarna zorgvuldig met een droge wollen lap na te wrijven. De pijp blijft dan mooi helder van kleur en aantrekkelijk van glans.

Tot besluit
Het woord meerschuim zal in kringen van pijprokers voor eens en altijd een toverwoord blijven. Kieskeurige rokers gebruikten niets liever dan echte meerschuim. Het renommee van dit materiaal was al in de achttiende eeuw gevestigd en is nooit overtroffen. In die sfeer ontstond een elitair product, dat zich onderscheidde door zijn vormgeving of toegevoegde decoratie, nog onderstreept door zilveren montages, luxueuze stelen en een chique opbergfoedraal. Als optelsom van al deze factoren van luxe had de meerschuim pijp een hoge aanschafprijs en dus ook een belangrijke statuswaarde. De rage van het doorroken gaf de gebruiker nog eens een extra genoegen.

De bloei van de meerschuim pijp ligt tussen 1830 en 1900 en verschuift in die periode van de tabakspijp naar de sigarenhouder en van massief en zwaar naar transparant en licht. Geleidelijk veralgemeniseert het gebruik en richt zich van de adellijke kringen steeds meer op de burgerman. Daarmee vervalt de hoogstaande artistieke kwaliteit en verwordt de meerschuim pijp tot een massa artikel met weinig zwier. De kleine werkplaatsen van het eerste uur worden fabrieken met seriële productie en een bijna mondiale klantenkring. Aan het begin van de twintigste eeuw vindt een ommekeer plaats en verdwijnen deze fabrieken in een rap tempo.

Helaas moeten we constateren dat met het afnemen van de cultuur van het pijproken ook de verfijnde smaak voor de meerschuim pijp verdween. De fabricage verhuisde rond 1960 naar de wingebieden waar de productiesnelheid vóór een stijlvol ontwerp komt. Zo verviel de meerschuim pijp in enkele decennia tot een alternatief voor de roker die eens wat anders wilde proberen dan de obligate bruyèrepijp of de eenvoudige kleipijp.

Gelukkig leeft de belangstelling voor de meerschuim pijp voort onder verzamelaars en liefhebbers van antieke pijpen die hierin de artisticiteit van de makers en het mode- en statusgevoel van de rokers van weleer weerspiegeld zien. Dankzij de prachtige vormgeving, de schoonheid en het unieke patina continueert de belangstelling voor de meerschuim pijp in deze kleine kring van connaisseurs die daarmee een stukje van het oorspronkelijke belang van deze luxueuze pijp conserveren.

© D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2009.

Literatuur
De belangrijkste publicaties over meerschuim:

Carl Ehwa, The Book of Pipes & Tobacco, New York, 1974, p 66-95.

G. Guyot, Les pipiers français, Histoire et tradition, Thomery, 1992, hfst VII, Les pipes en écume, p 86-101.

Ference Levárdy, Our Pipe-Smoking Forbears, Budapest, 1994.

Walter Morgenroth, ‘Meerumwoben – schaumgeboren … Das Ende einer Saga. Zur Herstellung der Meerschaumpfeifen im 17. und 18. Jahrhundert‘, Knasterkopf, Heft 12, 1999, p 30-59.

Ben Rapaport, Collecting antique meerschaum pipes, miniature to majestic sculpture, 1850-1925, Atglen, 1999.

G.M. Raufer, Die Meerschaum und Bernsteinwaren-Fabrikation, Leipzig, 1876.

Tentoonstellingscatalogus: The history of the Hungarian pipemaker’s craft, Hungarian history through the pipemaker’s art, Budapest, 2000.

Afbeeldingen

1. Doorsnede van een meerschuimmijn in Turkije met centrale schacht en zijgangen.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

2. Werklieden reinigen de ruwe meerschuimblokken.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

3. Brok ruwe meerschuim met oneffen oppervlak zoals het wordt gevonden.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3592b

4. Stuk meerschuim waarvan de oppervlakte verontreiniging is weggesneden.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3592a

5. Verontreiniging in het meerschuim, een dunne zandlaag is als een zwart lijntje zichtbaar.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.775

6. In het oppervlak van de pijp is een rechthoekig blokje meerschuim ingezet dat van een decoratie is voorzien.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.760

7. Voorbeeld van een gedraaide meerschuim pijp met volmaakte vormgeving waarbij de overgang van de ketel naar de steel met de hand is gevormd.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.711

8. De verschillende metalen gereedschappen om meerschuim te snijden.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

9. Gezichtpijp met behandeling in zogenaamde double cire, waardoor de muts van de voorgestelde wit is gebleven.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.894

10. Een zogenaamde oliekop met grauwige kleur meerschuim en gespikkeld oppervlak.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.897

11. De calciné behandeling in oranjegeel met aan de ketelopening een donkergebrande rand.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.138

12. De volmaakt zwarte goudron uitvoering met een volglanzend oppervlak.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.071

13. Sculptuur in meerschuim van het borstbeeld van een vrouw op houten sokkel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.986

14. Cataloguspagina met Hongaarse koppen die in vrijwel alle centra zijn gemaakt.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.776

15. Cataloguspagina met figurale sigarenhouders in gevarieerde vormgeving.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.776

16. Cataloguspagina met cilindrische sigarenhouders, meest zonder decoratie.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.776

17. Afbeelding uit een fabriekscatalogus met een bonkige grof gesneden gezichtpijp.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

18. De Turkse gezichtpijp uit een catalogus met een steel opgebouwd uit segmenten gedraaid meerschuim.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

19. Bruyèremodel uitgevoerd in meerschuim inclusief zandstraal afwerking en modieuze bamboe steel. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.706

20. Cataloguspagina met moderne meerschuim pijpen uit Tanzania in calciné en goudron afwerking.
Amsterdam, documentatie Pijpenkabinet

21. Gesneden pijp met Engels buldog model en versierd met twee negerfiguren rond de ketel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 894

22. Ingedrukt merk voorstellend een olifant op het roer van een meerschuim pijp.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.342

23. Het kenmerkende Turkse model met de verzwaarde ketelbasis en cilindrisch verhoogde ketel, kleurig versierd met stenen en kralen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.277

24. De kalmas met ketel met verzwaarde opening en een basis die vloeiend in de steel over gaat.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4360

25. De Rakcozi waarbij de ketelbasis duidelijk een gemarkeerde verzwaring laat zien.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.767

26. Zakvorm of Ruhla type met kenmerkende cilindrische ketel met verzwaarde basis en rechte iets opgaande steel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.856

27. Zakvorm met uitstaande ketelopening, sterker verzwaarde basis en langere steel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.403

28. Zakvorm met compacter model en meer geprononceerde ketelopening, de steel hier kort en licht uitlopend.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.855

29. Zakvorm met de meer zeldzame taps toelopende ketelopening.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.408

30. Zakvorm in de geraffineerde empire stijl met onverwacht afgeplatte vormen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.400

31. Zakvorm zonder montage als de burgerlijke versie, de steel verwijdt zich naar het einde tot een onopvallende manchet.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.167

32. Prototype van de Hongaarse ketel met zijn hoge cilindrische vorm en ronde onderzijde.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.992

33. Hongaar met licht verzwaarde ketelbasis en iets verwijdende filtrand.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.769

34. Hongaar met modieus model met nauwe hoge ketel en uitstekende vlakke filtrand.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.076

35. Een variant op de Hongaar met brug tussen de ketel en de steel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.714

36. Extreem hoge Hongaar met iets uitlopende ketel, het hoge deksel versterkt de vorm.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.543

37. De modernere variant op de Hongaar met lagere wijde ketel en zonder montages.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.157

38. De Debrecen met een sterker conische ketel, vaak een iets puntige ketelbasis en meestal met een bescheiden filtrand.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 11.354

39. De bijzondere Ulmvorm met bekervormige ketel en ronde afgeplatte vorm.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.401

40. Een variant op de Ulm met afgeplatte ketel en aan de ketelbasis omgaande randen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.640

41. Fantasievorm op Ulm gebaseerd met aantrekkelijk vormgegeven ketelbasis.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.652

42. Bijzondere wangvorm aan de basis van de ketel ontleend aan de Ulm pijp.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.087

43. Het kubieke Noorse model met afgeschuinde buitenranden.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.898

44. De moderne Noorse kop zonder montages maar nog met de kubieke vorm.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.896

45. Stoere massieve stummel geënt op de Goudse ovaalvormige kleipijp met karakteristieke montage.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.770

46. Recht model pijp met stummel ketel en lekbakje aan de steel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.858

47. De Engelse kromkop met knophiel verwerkt tot meerschuim manchetkop.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4982

48. De Turkse tsjiboek met vlakke schotel en eenvoudige neogotische decoratie.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.009

49. Meerschuiminterpretatie van de tsjiboek met massieve vormgeving, de schotel met een parelrand geaccentueerd.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.404

50. De Turkse tsjiboek met kelkvormige ketel en ronde onderzijde, op de steel gepersonifieerd met een monogram.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.898

51. De populaire billiard met gedrongen moderne ketelvorm en korte rechte tige gemonteerd als een bruyère pijp.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7471

52. Het modieuze buldog model hier met vergulde metaalmontage rond de ketelopening en tige.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.864

53. De chique tweezijdig afgeplatte biljart met zijn ovale ketel van boven gezien.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.361

54. Een prachtige kopie van de Goudse kleipijp met ovale ketel en ragfijne steel bestemd om sigaren te roken.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.653

55. Op de kleipijp geïnspireerde ketelvorm uitgevoerd in meerschuim met een montage afgekeken van de bruyère pijp.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.900

56. De befaamde eierkop met ovale ketel en opgaande steel met manchet hier als oliekop uitgevoerd.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.907

57. De moderne variant op de eierkop ofwel de bolkop met ronde vorm en licht opgaande steel met manchet.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3546

58. Pijp met eivormige ketel met metalen ketelmontage met vochtsluis en eendenbeen roer.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.904

59. De kalebas met ketelinzet van blokmeerschuim en holle koelruimte eronder.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.431

60. De hoornvorm hier met twee reliëfbandjes maar vooral geliefd met toegevoegde figurale decoratie.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.411

61. De gezondheidspijp met cilindrische ketel, de steel is op eenderde van de ketelhoogte aangezet.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.275

62. Het buisvormige tipmodel met barnstenen mondstuk, hier met een eigenaarsmonogram.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2180

63. Etui met twee sigarenhouders voor verschillende diktes sigaren.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.883

64. Tabakspijp met in de ketel een speciale inzet om ook sigaren te kunnen roken.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.435

65. Tabakspijp met gebruikelijke ketel en separate inzet om de pijpenkop nauwer en hoger te maken.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.731

66. Grote tabakspijp met ingekraste decoratie in Turkse stijl opgesmukt met sierstenen en glas.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.085

67. Eenvoudige komvormige pijpenkop met ingedrukte geometrische decoratie.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.612

68. Debrecen ketel met vlotte ingedrukte decoratie afgekeken van de kleipijp uit oostelijk Hongarije
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.869

69. Oneffenheid in het meerschuim omgevormd tot een ingesneden tempeltje zonder dat dit een relatie met de voorstelling heeft.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.760

70. Bolkop versierd in inlegwerk van zilver in de vorm van takjes met bladwerk.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.137

71. Tabakspijp met repetitief ingeboord patroon om oneffenheden in het meerschuim te verbloemen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1989

72. Ketel met tonvormig model voorzien van geboorde decoratie die bij het roken een aantrekkelijke verkleuring geeft.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1990

73. Pijpenkop met een diep uitgesneden reliëfvoorstelling met jachtscène van ruiters te paard, honden en een hert.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.540

74. Voorstelling van een staande jager met geweer en hond in laagreliëf uitgevoerd maar toch plastisch.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.538

75. Expliciet reliëfwerk in twee kleuren op een volledig versierde tabakspijp met als hoofdvoorstelling Diana als godin van de jacht.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 995

76. Gedetailleerde reliëfvoorstelling rond de pijpenkop van een muziektent in een park.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.081

77. Uiterst fijn gesneden jachtvoorstelling als onderdeel van een overversierde pijp met meer jachttaferelen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 998

78. Pijpenkop met eenvoudige decoratie op de voorzijde waardoor het model van de pijp vrijwel onaangetast blijft.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.076

79. Stippelmotief op het fond om oneffenheden van het meerschuim te verdoezelen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.541

80. Zogenaamde herderspijp of lap pipe van massameerschuim met grove decoratie en vals jaartal.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.862

81. Hongaars model met wervelende voorstelling van Napoleon te paard.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.077

82. De afbeelding van keizer Napoleon en koning Frederik II als rustende helden.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.253

83. Een op bestelling gesneden heraldische voorstelling met familiewapen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.154

84. Hongaars model met aan de voorzijde op bestelling gesneden eigenaarinitialen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.796

85. Pijpenkop met speciaal gesneden ordeteken en lint van de Orde van de Kousenband.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.105

86. Hoge ketel met aan de empire ornamentiek en gotiek ontleende geometrische decoratie.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.536

87. Slanke hoge pijpenkop met jachtvoorstelling omgeven door een neogotische omlijsting.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.801

88. Ovaalvormige pijpenkop gehouden door een viertenige vogelklauw.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet 18.055

89. Sint Joris en de draak in figurale uitwerking, het hoofd is het deksel van de pijp.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.800

90. Tabakspijp met twee stroomgoden, een wapenschild aan hun voeten.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1485

91. Borstbeeld van de schilder Rubens met karakteristieke kledij en breedgerande hoed.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.109

92. Borstbeeld van een Creoolse met fijne gelaatstrekken en ontblote borst.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.069

93. Een populair motief, de Zoeaaf met cilindrische muts met kwast.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.063

94. Portretpijp van een karakterfiguur: de gemoedelijke veldwachter met verfrommelde pet met klep.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.430

95. Een galante dame, een van de vele algemene gezichtspijpen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.298

96. Mansportret toegeschreven aan de snijder Hartmann uit Wenen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.297

97. De kop van een wild zwijn, een geliefde voorstelling onder jagende rokers.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.839

98. Kop van een koe, de eenvoudige figuurpijp met weinig boodschap.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.337

99. Sigarenpijp met verfijnd portret van de schilder Rembrandt, de sigarenhouder in de baret geplaatst.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.336

100. Figurale sigarenhouder in de vorm van een naakte vrouw in driedimensionale pose.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.741

101. Prachtige driedimensionaal gesneden voorstelling van een liefdespaar op stoel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.233

102. Licht erotische voorstelling van een zittende vrouw met sigarenhouder in haar kruis.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.406

103. Sigarenhouder met een liggende vrouw begluurd door een faun vanachter de bosjes.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.300

104. Sigarenpijp voorstellende een Napolitaanse visser een tabakspijp rokend.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.473

105. Sigarenhouder met ketel in de vorm van een struisvogelkop.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet 19.297

106. Vroeg ovaalvormig etui langs de randen versierd met boekbindersstempels
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.694

107. Etui voor een meerschuim pijpenkop met afgeplatte onderzijde, de randen afgezoomd met gouden balletjes.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.076

108. Figurale tabakspijp voorstellend een Turkenkop in etui dat tijdens het roken om de pijpenkop blijft.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.134

109. Foedraal voor de volledige pijp zoals vanaf 1850 gebruikelijk is, aan de binnenzijde voorzien van een handelaarsmerk.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 342

110. Eervolle vermelding op etuirand van leveringen aan het koningshuis en de ontvangst van verdienstepenningen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.297

111. Adres van de maker en verwijzing naar het hofleverancierschap op de rand van een foedraal.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.510

112. Etui aan de buitenzijde voorzien van de eigenaarsinitialen van de roker.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.901

113. Deftig houten kistje voor een meerschuim pijpenkop compleet met een roer van ivoor, slap en kwasten.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.514

114. Etiket met de naam van de pijpenwinkel “Au Phenix” in Lille.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.894

115. Etuimerk van de beroemde firma Sommer uit Parijs inclusief de prachtige winkelnaam.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 1811

116. Etui-etiket van de maker Rabe uit Brussel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 16.899

117. Verzorgd etui-etiket waarop het adres van een maker en handelaar uit Brussel.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 2341

118. Het merk van de firma Wasmann uit Amsterdam.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.064

119. Etuiopschrift van de snijder en handelaar Hintze uit ’s-Gravenhage.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7559

120. Etuimerk met moderne vormgeving van de firma Andreas Bauer uit Wenen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7471

121. Etuimerk in goud waarmee de algemene kwaliteit van het product wordt aangeprezen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3332

122. Makerssignatuur met letters M.E. onopvallend verwerkt in de voorstelling.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 17.076

123. Makerssignatuur op de kopse zijde van het manchet bestaande uit de letter “S” van Heinrich Schilling in Wenen.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.100

124. Makersmerk met de volledige naam van de maker Weisz.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.867

125. Ingedrukt makersmerk op de kopse zijde van het manchet met opschrift Donath.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 15.648

126. Makersmerk ingedrukt op de kopse zijde van de manchet met naam Vegiato.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 19.539

127. Het beroemde merk van de Weense firma Adler in intaglio op de kopse zijde van de manchet.
Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 18.500

Noten

1. E. Cardon, Le musée du fumeurs traitant du tabac et la pipe, Paris, 1866, p 226. Eppe Ramazzotti & Bernard Mamy, Pipes et Fumeurs de Pipe, un art, des collections, Paris, 1981, p 52.
2. Morgenroth, 1999, p 31.
3. Ook als: 3 S1O2 MgO 2H2O of 2 MgO2 SO2 14H2O. Levárdy, 1994, p 114. H4Mg2Si3O10 – Mg2Si3O8.4H2O – Mg3Si4O11.5H2O – 3SiO2MgO.2H2O – 2MgO3SiO2.14H2O – Mg4/H2O/3/OH/2 - Si6O11.3H2O.
4. Cardon, 1866, p 233. Lulet aché is pijpenstenen. H. Aschenbrenner, Der Pfeifen-Omnibus, Oldenburg, 1939, p 22. Mark Rien & Gustaf Nils Dorén, Tabago, a picture- book of tobacco and the pleasures of smoking, Munich,1960, p 54.
5. Rapaport, 1999, p 11.
6. Otto Pollner, Die Pfeifenmacher zwischen Rennstein und Rhön, Leopoldshöhe, 1997, p 67. Meldt nog Spaans espuma de mar en Deens merskum.
7. Alfred Dunhill, The Pipe Book, London, 1924, p 234. Geschreven als Eskisher. Aschenbrenner, 1939, p 21. Eppe Ramazzotti & Bernard Mamy, Pipes et Fumeurs de Pipes, Paris, 1981, p 52. Eschi-Seher (l’antique Dorylaeum) in Anatolië.
8. Cardon, 1866, p 226. Montmartre bij Parijs levert geen meerschuim maar gips. Idem, p 229. Wel gevonden in Seine-et-Marne en le Gard. Idem, p 231. Madrid, het meerschuim is hier bruindooraderd en weinig geschikt. Raufer, 1876, p 5. Ook Montmarte bij Parijs. Pollner, 1997, p 68. Noemt ondermeer Bosnië, Griekenland, Portugal en Frankrijk.
9. Ehwa, 1974, p 74. Noemt als Amerikaanse wingebieden Arizona en South-Carolina. Levárdy, 1994, p 114. Pennsylvania, South Carolina, Utah en New Mexico.
10. Aschenbrenner, 1939, p 21. 20-80 meter. Mark W. Rien & Gustaf Nils Dorén, Das Neue Tabago Buch, Hamburg, 1985, p 87. In het Tanganjika gebied 40 tot 80 meter. Guyot, 1992, p 86. Spreekt van 300 tot 400 meter (de auteur verwisselde waarschijnlijk de voetmaat uit de Engelse bron met de Europese meter). Ehwa, 1974, p 74. 150 tot 350 feet.
11. Cardon, 1866, p 233. Kisten meten 75 x 18 x 38 centimeter en wegen 17 kilogram. Zij bevatten stukken van hetzelfde formaat en dezelfde kwaliteit. De prijs varieert van 600-800 franc voor inferieure kwaliteit tot 1800-2000 franc voor de goede kwaliteit. Aschenbrenner, 1939, p 21. Brokken gesorteerd op grootte van 35 tot meer dan 600 stuks per kist. Levárdy, 1994, p 115. De klompen werden gesorteerd op grootte en varieerden van 25 tot 200 stuks per kist. Pollner, 1997, p 68. Citeert een bron uit 1797.
12. Ramazzotti, 1981, p 52.
13. Cardon, 1866, p 232. Sublime, supérieure, première, deuxième.
14. Catalogus Budapest, 2000, p 63. Gesproken wordt van Viennese meerschaum.
15. De wijze van vervaardiging is opgetekend in verschillende publicaties, de oudste uit 1799, samengesteld door A. Tomas. Zie ook: Levárdy, 1994, p 11. Rapaport, 1999, p 17. Morgenroth, 1999, p 48.
16. Pollner, 1997, p 83. Worden in Ruhla Posten genoemd.
17. Lutz Libert, Von Tabak, Dosen und Pfeifen, Leipzig, 1984, p 89. In Wenen en Ruhla worden de pijpen nat bewerkt, in andere plaatsen niet. Otto Pollner, Tabakpfeifen aus zwei Jahrhunderten, über die Pfeifendrechsler in Westfalen und Lippe, Bad-Qeynhausen, 2000, p 165. Half uur in het water en dan een paar uur het vocht er goed door laten trekken. De brokken worden naar gewicht gesorteerd omdat de lichte stukken even blijven drijven, terwijl de zwaardere zinken.
18. Aschenbrenner, 1939, p 26. Pollner, 1997, p 85. Ölköpfe of Ruhla-Köpfe.
19. Raufer, 1876, p 48.
20. Guyot, 1992, p 94.
21. Dunhill, 1924, p 234. Aschenbrenner, 1939, p 21. G.A. Brongers & J.A. Frank, Pijpenbrevier, Rotterdam, 1979, p 137. Ramazzotti, 1981, p 52. Libert, 1984, p 64. Levárdy, 1994, p 118. Woont Fischergasse. Pollner, 1997, p 75. Morgenroth, 1999, p 30. Rapaport, 1999, p 16. Catalogus Budapest, 2000, p 62.
22. Ehwa, 1974, p 70.
23. Levárdy, 1994, p 119. Rapaport, 1999, p 17.
24. Guyot, 1992, p 95. Andrássy was de favoriet van keizerin Sissi.
25. Levárdy, 1994, p 120.
26. Morgenroth, 1999, p 30.
27. Morgenroth, 1999, p 31.
28. Rapaport, 1999, p 17. In 1652 zou de Franse beeldhouwer Louis Pierre Puget al een meerschuim pijp hebben gesneden.
29. Morgenroth, 1999, p 34. Citeert Voyage d’Italie, de Dalmatie, de Grece et du Levant, Amsterdam, 1679.
30. Cardon, 1866, p 333. Spreekt van Turkse, Griekse en Armeense handelaren. Catalogus Budapest, 2000, p 63.
31. Morgenroth, 1999, p 40. Citeert Rothmann, 1802.
32. Raufer, 1876, p 9. Pollner, 1997, p 75. Noemt Lemgo als de eerste stad. Morgenroth, 1999, p 40. Pollner, 2000, p 161. Dit zou tussen 1745 en 1750 door de koopman Benzler zijn gebeurd.
33. Levárdy, 1994, p 120. Noemt als startdatum 1745 met Kristof Dreiss, die in 1750 op een tentoonstelling te Leipzig exposeert. Pollner, 1997, p 65. Stelt het jaar 1739 als start van de algemene pijpenmakerij, het meerschuim start reeds voor 1750 door Wolfgang Iffert (overgenomen uit Raufer, 1876).
34. Morgenroth, 1999, p 49. Levárdy, 1994, p 115. Noemt de families Iffert en Ziegeler. Rapaport, 1999, p 19. Noemt rond 1800 150 snijders die in 27 fabrieken werken.
35. Rapaport, A complete guide to collecting Antique Pipes, Exton, 1979, p 51. Het gaat om Johann Wolfgang Wagner en Jakob Hellman.
36. Levárdy, 1994, p 121. Noemt Czerha Károly uit Mannheim en Jósef Teissenberger uit Unterammergau. Catalogus Budapest, 2000, p 64.
37. Cardon, 1866, p 233. Wenen verkoopt meerschuim dat in Saksen wordt bewerkt en via Frankfurt wordt verspreid.
38. Raufer, 1876, p 9. Rien & Dorén, 1985, p 87. Beelden een pijpenkop af die uit 1767 zou dateren.
39. Levárdy, 1994, p 115.
40. Levárdy, 1994, p 115. Noemt Kristof Dreiss als uitvinder rond 1770-1772. Pollner, 1997, p 78. Johann Christoph Dreiss.
41. Raufer, 1876, p 10. Spreekt van 27 fabrieken met meer dan 150 werklieden. Aschenbrenner, 1939, p 21. circa 1800 27 werkplaatsen met 150 arbeiders. Morgenroth, 1999, p 49. Idem, p 47. Een bron uit 1788 spreekt van 100 werklieden.
42. Ramazzotti, 1981, p 52. Écume artificielle de Wagner. Guyot, 1992, p 86. Levárdy, 1994, p 115. Wagner was gezant van het hof, de start werd gemaakt door Hartmann en Zimmermann.
43. Morgenroth, 1999, p 46. Vermeldt een recept uit 1786.
44. Raufer, 1876, p 17.
45. Rapaport, 1979, p 69.
46. Raufer, 1876, p 25.
47. Raufer, 1876, p 11.
48. F.W. Fairholt, Tobacco: its History and Associations, including an account of the plant and its manufacture, with its modes of use in all ages and countries, London, 1859, p 196.
49. Levárdy, 1994, p 135.
50. Levárdy, 1994, p 128-130. Beschrijft de geschiedenis van deze familie. Catalogus Budapest, 2000, p 65. Adler is actief sinds het begin van de negentiende eeuw.
51. Guyot, 1992, p 95.
52. Levárdy, 1994, p 134. Catalogus Budapest, 2000, p 69. Het bedrijf wordt tot na 1873 voortgezet.
53. Levárdy, 1994, p 134.
54. Ramazzotti, 1981, p 52. Spreekt van Écume d’Autriche. Levárdy, 1994, p 116. Pasura, Wiener Meerschaum en écume d’Antioche. De naamgeving is geen uiting van oneerlijke concurrentie maar is afgeleid van de aanvoer van meerschuimgruis uit Wenen die in Duitsland tot pijpen werd geperst.
55. Cardon, 1866, p 235. Meldt het jaar 1852 als aanvang in Parijs door Séjournant, Cardon & Cie in de Passage de l’Ancre. Guyot, 1992, p 95.
56. Raufer, 1876, p 6. Spreekt van jaarlijks 50.000 kilo. Libert, 1984, p 91.
57. Cardon, 1866, p 222. Volgens de Chambre de Commerce bestaat in 1860 reeds een aanzienlijke productie aan meerschuim pijpen. Ramazzotti, 1981, p 52. Bijvoorbeeld in 1852 ene E. Cardon, in 1860 Sommer. Levárdy, 1994, p 123. Werkt met Joodse pijpenmakers uit Wenen en Buda.
58. Rapaport, 1979, p 53. Levárdy, 1994, p 135.
59. Cardon, 1866, p 236. Idem, p 241. De Fransen zenden zelfs hun afval naar Duitse makers omdat zij zelf geen composiet meerschuim maken.
60. Levárdy, 1994, p 135. E.R. Rabe.
61. Don Duco, ‘Aanwinsten: Rembrandt pijp’, Nieuwsbrief Pijpenkabinet, nr. 5, oktober 2006.
62. Levárdy, 1994, p 135. Rapaport, 1999, p 21.
63. Levárdy, 1994, p 135. Fischer werkte voor de E.P. Ehrlich Company in Massachusetts en New York. Zijn zoon Gustav Fischer Jr. opende een zaak in Boston. Rapaport, 1999, p 23-24.
64. Guyot, 1992, p 86.
65. Pollner, 1997, p 73. Enkele uitzonderingen zijn gevestigde leveringen zoals tot 1975 aan Franz Thiel in Ruhla.
66. Libert, 1984, p 91. Ontdekt in 1953. Levárdy, 1994, p 115.
67. Libert, 1984, p 91.
68. Guyot, 1992, p 94. Geschreven als Kalmach, zou refereren aan de naam van een snijdersfamilie.
69. Levárdy, 1994, p 100. Vgl. afbeeldingen.
70. Guyot, 1992, p 94. Spreekt van Ragoczy of Rakoczy, genoemd naar een Hongaarse minister.
71. Rapaport, 1999, p 33.
72. Levárdy, 1994, p 124. Idem, p 100. Beeldt nog een achtkantige cilindrische kop af waarvan alleen de uitlopende filtrand en verzwaarde ketelbasis overeenstemmen.
73. Catalogus Budapest, 2000, p 176, nr 12/10.
74. Dunhill, (1924), p 235. Beeldt de zakvorm naast een Turkse rondbodem pijpenkop af en wijst op de vormafleiding.
75. Catalogue Kaldenberg & Son, New York, 1868 (Uitgave Paul Jung, Bel Air, 1992), plate 11.
76. Levárdy, 1994, p 121.
77. Kaldenberg, 1868, plate 7. Afgebeeld met als vormaanduiding Hungarian bowls.
78. Levárdy, 1994, p 143.
79. Kaldenberg, 1868, plate 16. Illustreert deze pijp in de zware Duitse versie als Philisophers pipe.
80. Rapaport, 1979, p 53. Levárdy, 1994, p 135. Het zijn Ganneval, Bondier en Donninger.
81. Catalogus Maison Vinche, Antwerpen, c. 1905. Alle modellen zijn zowel in meerschuim als bruyère leverbaar.
82. Kaldenberg, 1868, plate 3. Afgebeeld als Egg Bowls in negen formaten.
83. Kaldenberg, 1868, plate 9. Heet daar Globe Pipe Bowl.
84. Rapaport, 1999, p 17.
85. Levárdy, 1994, p 131.
86. Levárdy, 1994, p 136. Spreekt van de familie van een Russische tsaar.
87. Au Pacha van C. Cheville en Weber in Parijs, Au Nabab van J.B. Vinche in Brussel en Au Phénix in Lille zonder eigenaarsnaam.
88. Fournisseurs de S.M. le Roi des Belges”, met “J.B. Vinche & Fils” of “Fournissr. de S.A.R. le Comte de Flandre”.
89. Ehwa, 1974, p 70.
90. Anoniem (A Veteran of Smokedom), The Smoker’s Guide, Philosopher and Friend, London, 1876, p 68. Als prijs wordt 4 shilling genoemd.
91. Culot, Traité théorique & pratique du culottage des pipes, Étienne Sausset Libraire-Editeur, Paris, 1866.
92. Guyot, 1992, p 90.
93. Fairholt, 1859, p 196. Ook: Dunhill, 1924, p 236.
94. Pollner, 1997, p 91.
95. Guyot, 1992, p 92.

1. Doorsnede van een meerschuimmijn in Turkije met centrale schacht en zijgangen.
2. Werklieden reinigen de ruwe meerschuimblokken.
3. Brok ruwe meerschuim met oneffen oppervlak zoals het wordt gevonden.
4. Stuk meerschuim waarvan de oppervlakte verontreiniging is weggesneden.
5. Verontreiniging in het meerschuim, een dunne zandlaag is als een zwart lijntje zichtbaar.
6. In het oppervlak van de pijp is een rechthoekig blokje meerschuim ingezet dat van een decoratie is voorzien.
7. Voorbeeld van een gedraaide meerschuim pijp met volmaakte vormgeving waarbij de overgang van de ketel naar de steel met de hand is gevormd.
8. De verschillende metalen gereedschappen om meerschuim te snijden.
9. Gezichtpijp met behandeling in zogenaamde double cire, waardoor de muts van de voorgestelde wit is gebleven.
10. Een zogenaamde oliekop met grauwige kleur meerschuim en gespikkeld oppervlak.
11. De calciné behandeling in oranjegeel met aan de ketelopening een donkergebrande rand.
12. De volmaakt zwarte goudron uitvoering met een volglanzend oppervlak.
13. Sculptuur in meerschuim van het borstbeeld van een vrouw op houten sokkel.
14. Cataloguspagina met Hongaarse koppen die in vrijwel alle centra zijn gemaakt.
15. Cataloguspagina met figurale sigarenhouders in gevarieerde vormgeving.
16. Cataloguspagina met cilindrische sigarenhouders, meest zonder decoratie.
17. Afbeelding uit een fabriekscatalogus met een bonkige grof gesneden gezichtpijp.
18. De Turkse gezichtpijp uit een catalogus met een steel opgebouwd uit segmenten gedraaid meerschuim.
19. Bruyèremodel uitgevoerd in meerschuim inclusief zandstraal afwerking en modieuze bamboe steel.
20. Cataloguspagina met moderne meerschuimpijpen uit Tanzania in calciné en goudron afwerking.
21. Gesneden pijp met Engels buldog model en versierd met twee negerfiguren rond de ketel.
22. Ingedrukt merk voorstellend een olifant op het roer van een meerschuim pijp.
23. Het kenmerkende Turkse model met de verzwaarde ketelbasis en cilindrisch verhoogde ketel, kleurig versierd met stenen en kralen.
24. De kalmas met ketel met verzwaarde opening en een basis die vloeiend in de steel over gaat.
25. De Rakcozi waarbij de ketelbasis duidelijk een gemarkeerde verzwaring laat zien.
26. Zakvorm of Ruhla type met kenmerkende cilindrische ketel met verzwaarde basis en rechte iets opgaande steel.
27. Zakvorm met uitstaande ketelopening, sterker verzwaarde basis en langere steel.
28. Zakvorm met compacter model en meer geprononceerde ketelopening, de steel hier kort en licht uitlopend.
29. Zakvorm met de meer zeldzame taps toelopende ketelopening.
30.  Zakvorm in de geraffineerde empire stijl met onverwacht afgeplatte vormen.
31. Zakvorm zonder montage als de burgerlijke versie, de steel verwijdt zich naar het einde tot een onopvallende manchet.
32. Prototype van de Hongaarse ketel met zijn hoge cilindrische vorm en ronde onderzijde.
33. Hongaar met licht verzwaarde ketelbasis en iets verwijdende filtrand.
34. Hongaar met modieus model met nauwe hoge ketel en uitstekende vlakke filtrand.
35. Een variant op de Hongaar met brug tussen de ketel en de steel.
36.	Extreem hoge Hongaar met iets uitlopende ketel, het hoge deksel versterkt de vorm.
37. De modernere variant op de Hongaar met lagere wijde ketel en zonder montages.
38. De Debrecen met een sterker conische ketel, vaak een iets puntige ketelbasis en meestal met een bescheiden filtrand.
39. De bijzondere Ulmvorm met bekervormige ketel en ronde afgeplatte vorm.
40. Een variant op de Ulm met afgeplatte ketel en aan de ketelbasis omgaande randen.
41. Fantasievorm op Ulm gebaseerd met aantrekkelijk vormgegeven ketelbasis.
42. Bijzondere wangvorm aan de basis van de ketel ontleend aan de Ulm pijp.
43. Het kubieke Noorse model met afgeschuinde buitenranden.
44. De moderne Noorse kop zonder montages maar nog met de kubieke vorm.
45. Stoere massieve stummel geënt op de Goudse ovaalvormige kleipijp met karakteristieke montage.
46. Rechte model pijp met stummel ketel en lekbakje aan de steel.
47. De Engelse kromkop met knophiel verwerkt tot meerschuim manchetkop.
48. De Turkse tsjiboek met vlakke schotel en eenvoudige neogotische decoratie.
49. Meerschuiminterpretatie van de tsjiboek met massieve vormgeving, de schotel met een parelrand geaccentueerd.
50. De Turkse tsjiboek met kelkvormige ketel en ronde onderzijde, op de steel gepersonifieerd met een monogram.
51. De populaire billiard met gedrongen moderne ketelvorm en korte rechte tige gemonteerd als een bruyère pijp.
52. Het modieuze buldog model hier met vergulde metaalmontage rond de ketelopening en tige.
53. De chique tweezijdig afgeplatte biljart met zijn ovale ketel van boven gezien.
54. Een prachtige kopie van de Goudse kleipijp met ovale ketel en ragfijne steel bestemd om sigaren te roken.
55. Op de kleipijp geïnspireerde ketelvorm uitgevoerd in meerschuim met een montage afgekeken van de bruyère pijp.
56. De befaamde eierkop met ovale ketel en opgaande steel met manchet hier als oliekop uitgevoerd.
57.	De moderne variant op de eierkop ofwel de bolkop met ronde vorm en licht opgaande steel met manchet.
58. Pijp met eivormige ketel met metalen ketelmontage met vochtsluis en eendenbeen roer.
59. De kalebas met ketelinzet van blokmeerschuim en holle koelruimte eronder.
60. De hoornvorm hier met twee reliëfbandjes maar vooral geliefd met toegevoegde figurale decoratie.
61. De gezondheidspijp met cilindrische ketel, de steel is op eenderde van de ketelhoogte aangezet.
62. Het buisvormige tipmodel met barnstenen mondstuk, hier met een eigenaarsmonogram.
63. Etui met twee sigarenhouders voor verschillende diktes sigaren.
64. Tabakspijp met in de ketel een speciale inzet om ook sigaren te kunnen roken.
65. Tabakspijp met gebruikelijke ketel en separate inzet om de pijpenkop nauwer en hoger te maken.
66. Grote tabakspijp met ingekraste decoratie in Turkse stijl opgesmukt met sierstenen en glas.
67. Eenvoudige trechtervormige pijpenkop met ingedrukte geometrische decoratie.
68. Debrecenketel met vlotte ingedrukte decoratie afgekeken van de kleipijp uit oostelijk Hongarije
69. Oneffenheid in het meerschuim omgevormd tot een ingesneden tempeltje zonder dat dit een relatie met de voorstelling heeft.
70. Bolkop versierd in inlegwerk van zilver in de vorm van takjes met bladwerk.
71. Tabakspijp met repetitief ingeboord patroon om oneffenheden in het meerschuim te verbloemen.
72. Ketel met tonvormig model voorzien van geboorde decoratie die bij het roken een aantrekkelijke verkleuring geeft.
73. Voorstelling van een staande jager met geweer en hond in laagreliëf uitgevoerd maar toch plastisch.
74. Pijpenkop met een diep uitgesneden reliëfvoorstelling met jachtscène van ruiters te paard, honden en een hert.
75. Expliciet reliëfwerk in twee kleuren op een overversierde pijp met als hoofdvoorstelling Diana als godin van de jacht.
76. Gedetailleerde reliëfvoorstelling rond de pijpenkop van een muziektent in een park.
77. Uiterst fijn gesneden jachtvoorstelling als onderdeel van een overversierde pijp met meer jachttaferelen.
78. Pijpenkop met eenvoudige decoratie op de voorzijde waardoor het model van de pijp vrijwel onaangetast blijft.
79. Stippelmotief op het fond om oneffenheden van het meerschuim te verdoezelen.
80. Zogenaamde herderspijp of lap pipe van massameerschuim met grove decoratie en vals jaartal.
81. Hongaars model met wervelende voorstelling van Napoleon te paard.
82. De afbeelding van keizer Napoleon en koning Frederik II als rustende helden.
83. Een op bestelling gesneden heraldische voorstelling met familiewapen.
84. Hongaars model met aan de voorzijde op bestelling gesneden eigenaarsinitialen.
85. Pijpenkop met speciaal gesneden ordeteken en lint van de Orde van de Kousenband.
86. Hoge ketel met aan de empire ornamentiek en gotiek ontleende geometrische decoratie.
87. Slanke hoge pijpenkop met jachtvoorstelling omgeven door een neogotische omlijsting.
88. Ovaalvormige pijpenkop gehouden door een viertenige vogelklauw.
89. Sint Joris en de draak in figurale uitwerking, het hoofd is het deksel van de pijp.
90. Tabakspijp met twee stroomgoden, een wapenschild aan hun voeten.
91. Borstbeeld van de schilder Rubens met karakteristieke kledij en breedgerande hoed.
92. Borstbeeld van een Creoolse met fijne gelaatstrekken en ontblote borst.
93. Een populair motief, de Zoeaaf met cilindrische muts met kwast.
94. Portretpijp van een karakterfiguur: de gemoedelijke veldwachter met verfrommelde pet met klep.
95. Een galante dame, een van de vele algemene gezichtspijpen.
96. Mansportret toegeschreven aan de snijder Hartmann uit Wenen.
97. De kop van een wild zwijn, een geliefde voorstelling onder jagende rokers.
98. Kop van een koe, de eenvoudige figuurpijp met weinig boodschap.
99. Sigarenpijp met verfijnd portret van de schilder Rembrandt, de sigarenhouder in de baret geplaatst.
100. Figurale sigarenhouder in de vorm van een naakte vrouw in driedimensionale pose.
101. Prachtige driedimensionaal gesneden voorstelling van een liefdespaar op stoel.
102. Licht erotische voorstelling van een zittende vrouw met sigarenhouder in haar kruis.
103. Sigarenhouder met een liggende vrouw begluurd door een faun vanachter de bosjes.
104. Sigarenpijp voorstellende een Napolitaanse visser een tabakspijp rokend.
105. Sigarenhouder met ketel in de vorm van een struisvogelkop.
106. Vroeg ovaalvormig etui langs de randen versierd met boekbindersstempels
107. Etui voor een meerschuim pijpenkop met afgeplatte onderzijde, de randen afgezoomd met gouden balletjes.
108. Figurale tabakspijp voorstellend een Turkenkop in etui dat tijdens het roken om de pijpenkop blijft.
109. Foedraal voor de volledige pijp zoals vanaf 1850 gebruikelijk is, aan de binnenzijde voorzien van een handelaarsmerk.
110. Eervolle vermelding op etuirand van leveringen aan het koningshuis en de ontvangst van verdienstepenningen.
111. Adres van de maker en verwijzing naar het hofleverancierschap op de rand van een foedraal.
112. Etui aan de buitenzijde voorzien van de eigenaarsinitialen van de roker.
113. Deftig houten kistje voor een meerschuim pijpenkop compleet met een roer van ivoor, slap en kwasten.
114. Etiket met de naam van de pijpenwinkel "Au Phenix" in Lille.
115. Etuimerk van de beroemde firma Sommer uit Parijs inclusief de prachtige winkelnaam.
116. Etui-etiket van de maker Rabe uit Brussel.
117. Verzorgd etui-etiket waarop het adres van een maker en handelaar uit Brussel.
118. Het merk van de firma Wasmann uit Amsterdam.
119. Etuiopschrift van de snijder en handelaar Hintze uit 's-Gravenhage.
120. Etuimerk met moderne vormgeving van de firma Andreas Bauer uit Wenen.
121. Etuimerk in goud waarmee de algemene kwaliteit van het product wordt aangeprezen.
122. Makerssignatuur met letters M.E. onopvallend verwerkt in de voorstelling.
123. Makerssignatuur op de kopse zijde van het manchet bestaande uit de letter "S".
124. Makersmerk met de volledige naam van de maker Weisz.
125. Ingedrukt makersmerk op de kopse zijde van het manchet met opschrift Donath.
126. Makersmerk ingedrukt op de kopse zijde van de manchet met naam Vegiato.
127. Het beroemde merk van de Weense firma Adler in intaglio op de kopse zijde van de manchet.

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres