Zeventiende en achttiende eeuwse pijpen uit VlissingenDon Duco Over het gebruik van de pijp, de productie en de handel in de provincie Zeeland zijn wij beperkt geïnformeerd. Uit archiefonderzoek verricht in de jaren 1970 en 1980 bestaat wel een beeld van lokale productie, al zijn weinig concrete gegevens over merken en hun makers bekend (noot 1). Bovendien ontbreekt de koppeling van de pijpenmakers met hun producten. Verder weten we uit Goudse archiefbronnen dat de verkoop van pijpen naar Zeeland voor de ambachtslieden in Gouda van aanzienlijk belang is geweest. Archeologische vondsten in Zeeland hebben dat nog niet kunnen bevestigen. De opgravingen in Vlissingen zouden de leemtes in kennis kunnen invullen en de keuze van de tabakspijp en de gewoonte van het roken nader kunnen preciseren. Beschrijving van het materiaal Voor de zeventiende eeuw bestaat het rookgerei uit een mengsel van lokaal fabrikaat aangevuld met import uit Gouda. De vroegste tabakspijpen zijn ook hier eerder regionaal dan aangevoerd. Een pijpje van de eerste generatie heeft een model dat zowel in Engeland als in Nederland thuis zou kunnen horen (afb 1). De licht knopvormige ketel heeft een gebotterde filtrand, maar de kenmerkende radering ontbreekt hier. Op de hiel draagt het product een scherp merk van een niet nader te duiden soort rooster of gearceerd schildje. Gezien de a-typische kenmerken met een gebotterde filt zonder radering in combinatie met een scherp hielmerk toegepast op een hiel die niet volledig daartoe geëigend is, mogen we concluderen dat het om een lokaal product gaat. De tabakspijp is intensief gebruikt en laat zien dat er in die periode nog zuinig met rookgerei werd omgesprongen. Bijzonder aan deze vondst is, dat dit product nog niet uit andere Nederlandse opgravingen bekend was. Een tweede kleipijp met een volwassen dubbelconische ketel van een gedrongen soort vertoont wel alle kenmerken van de pijpen uit de provincie Holland, inclusief het prachtig gegraveerde lettermerk (afb 2). Toch gaat het ook hier mogelijk om een Zeeuws product al is geen link naar een maker of zelfs stad te geven, terwijl de initialen toevallig wel overeenkomen met de maker Willem Renalts uit Schoonhoven (noot 2). De gemiddeld zwaardere uitvoering is reden het product toch als Zeeuws te zien. Vanaf 1650 vindt er een meer bestendige aanvoer van pijpen uit Gouda plaats en het lijkt erop dat enkele Goudse makers in Zeeland een monopolie voor de leverantie hebben. De bekendste persoon is Thiel Jansz. Proost (werkzaam 1636-1691), een Goudse pijpenmaker met een aanzienlijke status en een wijd netwerk. Voor de markt in Zeeland en Zeeuws Vlaanderen heeft hij een speciaal pijpmodel in productie, dat gemiddeld iets groter is dan het model dat in de Randstad wordt gebruikt (afb 3). De in Vlissingen gevonden pijpenkoppen zijn echter niet de grootste exemplaren uit zijn assortiment. Proost heeft pijpen gemaakt met koppen die nog royaler zijn (noot 3). Naast de aangevoerde waar heeft de roker keuze uit lokale pijpen, want de Zeeuwse pijpennijverheid continueert in de tweede helft van de zeventiende eeuw. De omvang en de spreiding van de werkplaatsen kennen we niet zodat er over het Zeeuwse aandeel veel onzekerheid bestaat. De vondsten wijzen er op dat de Zeeuwse roker voor een belangrijk deel uit lokale producten heeft gerookt. In tegenstelling tot andere provincies gaat het hier niet om overwegend grove pijpen, de favoriete productgroep voor de in de regio werkende pijpenmaker. In Zeeland wordt veel sterker het Goudse kwaliteitsproduct nagemaakt, waarbij de uitstraling alleszins met de Goudse voorbeelden overeenkomt, doch het product kwalitatief wel wat minder is. Voornaamste kenmerk van Zeeuwse kleipijp is dat zij beduidend forser zijn. Dit zien we vaker in centra waar de Goudse pijp wordt nagemaakt en vooral in Vlaanderen is dat het geval. Dit gegeven is niet verwonderlijk. Vaak was de techniek in de regio minder ontwikkeld en oogt het product groter, terwijl het in feite alleen maar minder verfijnd is. De reden voor de productie van de kenmerkende Zeeuwse formaten, die ruim tien procent groter zijn, is niet te duiden (noot 4). In de periode tussen 1670 en 1700, zijn in Gouda een fors aantal kleine werkplaatsen actief, die een kort bestaan hebben gehad en weinig succesvol zijn geweest. Daar kwamen tabakspijpen tot stand die onder het gemiddelde niveau van het Goudse product lagen. Juist deze pijpen lijken sterk op de Zeeuwse producten. Het zijn vaak minimale details die maken dat een dergelijk product met zekerheid aan Zeeland, dan wel aan Gouda kan worden toegeschreven. Bij een kleipijp op de hiel gemerkt met de trompet is duidelijk van een regionale productie sprake, omdat de gravering van het hielmerk te onbegrepen is om in Gouda te zijn gemaakt. Een kop daarentegen met het initiaalmerk BS (afb 4) zou theoretisch ook uit Gouda kunnen stammen. Hier is eerder sprake van een grover maaksel maar zijn alle productkenmerken met elkaar in overeenstemming. Met andere woorden: de Zeeuwse pijpenmakers hebben in die periode een niveau bereikt dat gelijk ligt aan de verdienste van de kleine makers in Gouda. Als in Gouda lag ook in Zeeland de preferentie duidelijk bij de zogenaamde fijne pijpen, het langere product voorzien van een hielmerk, steelband en gedeeltelijke verglazing. Een buitengewoon bijzondere tabakspijp heeft een pijpmodel dat tot nog toe niet van andere plaatsen bekend is (afb 5). Het gaat om een hielloze kleipijp met een scherpe maar niet erg gedefinieerde ketellijn. Deze pijp vertoont de meeste verwantschap met de zogenaamde elleboogpijpen die bij duizenden grossen vanuit Amsterdam, Gouda en andere centra naar Amerika zijn geëxporteerd (noot 5). Hier is het model zo'n twintig jaar later van datum en heeft derhalve ook een wat rondere ketelvorm. Opvallend is dat de kwaliteitskenmerken volledig kloppen. Het gaat om een pijp van de grove kwaliteit waarvan de persvorm goed heeft gesloten en de afwerkhandelingen zorgvuldig zijn verricht. Uitstraling en beoogde kwaliteit zijn volledig met elkaar in overeenstemming. Zo is bijvoorbeeld de radering langs de filt alleen aan de steelzijde aangebracht, voor die periode gebruikelijk voor de grove soort. De drie gevonden exemplaren wijzen op een gewone gebruikspijp voor die locatie Of het uitzonderlijke pijpmodel in productie is gekomen voor een exportorder en gelijktijdig regulier in de handel is gebracht of dat het om een lokale variant gaat blijft voorlopig nog onduidelijk Opvallend is dat er in verhouding tot de lange fijne pijp weinig kortgesteelde, grove producten zijn aangetroffen. Pas tegen het eind van de zeventiende eeuw komen enkele trechtervormige pijpen voor, die een steel van 23 centimeter hebben gehad en geen enkele versiering of veredelingsafwerking vertonen. Die producten zijn in zeer beperkte mate naast het meer prominente rookgerei gebruikt. In de meeste Nederlandse plaatsen is de verhouding half om half en wanneer er meer grof materiaal wordt aangetroffen is er sprake van armoede. Overigens lijkt de verhouding grof en fijn in Vlissingen niet met welstand van doen te hebben, maar eerder met een meer ontwikkeld gevoel voor mode en status. Aangezien de echte kwaliteitspijp tot na het jaar 1700 ontbreekt, overheerst het kenmerk zuinigheid. In de achttiende eeuw zien we een geheel ander beeld in de keuze van de kleipijp. Dan is de smaak van de roker in Zeeland opnieuw op verfijning gericht, maar heeft zich verder ontwikkeld. De lokale pijpennijverheid is in die periode inmiddels ter ziele. Het rookgerei bestaat vrijwel geheel uit Goudse kwaliteitsproducten en de keuze ligt daarbij op de langgesteelde pijp van de fijne tot porceleijne kwaliteit. Kortere modellen, buitenmodellen of opmerkelijke versierde waar komen niet voor. In Vlissingen gaat de roker voor een lange, gladde, goed afgewerkte pijp die heel duidelijk een statusfunctie moet hebben vervuld. Naast de gemiddeld zeer hoge kwaliteit is kenmerkend dat het formaat iets beneden het gebruikelijke ligt. Het roken uit wat kleinere koppen heeft met de keuze van de tabak te maken en zien we gelijktijdig ook in de provincie Brabant. De leveringen van Proost zijn inmiddels door andere fabrikanten overgenomen. Tussen 1680 en 1720 is hierover geen informatie beschikbaar. Vanaf 1720 gaat het bedrijf van Arent Willemsz. Brammert (werkzaam 1709-1766) de boventoon voeren. In dit reeds in de jaren 1650 gestichte familiebedrijf wordt het befaamde merk WS gekroond gezet en dat merk was inmiddels uitgegroeid tot een van de belangrijkste merken in Gouda. De verkoop ervan vindt naar veel streken plaats. De WS wordt vrijwel unaniem gezet op de porceleijne kwaliteit, de hoogste kwaliteit die dan wordt geleverd. Dat dergelijke producten ook het duurst waren, spreekt voor zich. Naast Brammert domineren na 1740 enkele andere Goudse makers, die de merken wapen van West-Friesland, BWB en S gekroond zetten. In latere tijd komt daar het merk wapen van de VOC bij. Het beperkte aanbod aan merken valt slechts op één wijze te verklaren. Door export die vanuit de haven naar overzee plaatsvond, hebben er waarschijnlijk vaste inkoopcontacten bestaan die tegen gereduceerde prijzen werden geleverd. Vanuit Gouda voorzag men een handelaar in Vlissingen van pijpen. Het is zeer aannemelijk dat deze persoon ook de pijpen aan de lokale rokers heeft geleverd, al dan niet via de gebruikelijke tussenhandel. De vondsten uit de negentiende eeuw zijn te gering in aantal om meer over de handel in pijpen en het rookgedrag in het algemeen te zeggen. Tot slot nog iets over de gebruiksintensiteit van de pijpvondsten. In de zeventiende eeuw zien we dat van een normaal gebruiksgedrag sprake is. De pijpen worden gemiddeld gerookt, aan de aanslag in de ketel te oordelen niet vaker dan een keer of dertig. Een enkele pijp is wat langer in gebruik geweest. Overigens is dat kenmerkend voor de meeste vondstlocaties van het bovengemiddelde milieu. In de achttiende eeuw constateren we duidelijk een wat zuiniger rookgedrag. Dat is niet verwonderlijk want qua keuze van pijpen rookte men uit de betere dus duurdere soorten. De lange Goudse kwaliteitspijp werd zo gewaardeerd dat men de hogere aanschafprijs voor lief nam. Een intensiever gebruik hoeft overigens niet direct op zuinigheid te wijzen. Een pijp die langer wordt gerookt gaat beter smaken, iets dat de roker van toen niet zal zijn ontgaan. Samenvatting en conclusie De regionale nijverheid kopieerde de geïmporteerde producten en brengt het tot waardige imitaties die lang niet altijd van de pijpen uit Gouda te onderscheiden zijn. De korte grove pijp, die in de meeste steden de helft van het vondstmateriaal uitmaakt, is in Zeeland vrijwel onbekend. Overigens zegt dit patroon meer over het belang dat men hechtte aan uitstraling dan dat het op welstand wijst. In de achttiende eeuw verdwijnt de regionale nijverheid. De roker is voortaan van import afhankelijk en het blijkt dat men zich dan bedient van de betere tot beste kwaliteit pijpen uit Gouda. Het voorkomen van een beperkt aantal makersmerken wijst erop dat de aanvoer, in tegenstelling tot in andere plaatsen, niet incidenteel plaatsvond maar langs geleide banen verliep. Het gegeven dat een handelaar in Vlissingen of Middelburg, voor zeetransport pijpen uit Gouda bij grote aantallen importeerde, zou de reden kunnen zijn dat ook de lokale handel hiermee werd voorzien. Duidelijk blijkt dat de vondsten uit de zeventiende en achttiende eeuw sterk van elkaar verschillen. Dat feit komen we in meer gebieden in Nederland tegen. Dit vondstcomplex wijst ons echter wel op een preferentie voor bepaald rookgerei. Bovendien duidt het de plaats van de regionale nijverheid ten opzichte van de handel van pijpen van elders. Waarom louter Goudse pijpen worden aangevoerd en er geen producten in andere centra zijn gekocht blijft onduidelijk. Overigens is het wel zo dat wanneer de Zeeuwse roker unaniem voor lange pijpen van kwaliteit koos, centra als Gorinchem en Schoonhoven als leverancier automatisch afvielen, omdat die producten daar niet werden gemaakt. Naast conclusies resteren er ook nog vragen. Zo is het noodzakelijk, nu het belang van de Zeeuwse pijpennijverheid op lokaal niveau is aangetoond, deze nader in kaart te brengen waardoor we ook de handelscontacten tussen de Zeeuwen en de pijpenproducerende centra in de provincie Holland nader kunnen leren kennen. Een duidelijke fasering in de bedrijven zal niet alleen tot een meer exacte datering van de vondsten leiden, maar ook het inzicht in het distributiepatroon fijnmaziger maken. © D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2006. Afbeeldingen 1. Pijp uit de eerste generatie met knopvormige ketel, gebotterd en met filtgroef, hielmerk rooster. Zeeland, 1615-1620 2. Basismodel 1 met volwassen ketel, filtradering en geglaasd, hielmerk WR + twee sterren. Zeeland, 1630-1645 3. Verhoogd basismodel 1 met een groter formaat dan standaard, filtradering, ketel en steel geglaasd, hielmerk TIP + twee sterren. Gouda, Thiel Jansz. Proost, 1670-1680 4. Groot formaat dubbelconische ketel, filtradering, ketel en steel geglaasd, hielmerk BS. Gouda of Zeeland, 1670-1685 5. Buitenmodel met slurfvormige ketel en filtradering aan de steelzijde, ongeglaasd. Vermoedelijk Zeeland, 1670-1690 Noten 1. D.H. Duco, De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden, Oxford, 1981, hfst. Middelburg en Tholen. 2. Duco, Ibidem, 1981, p 332. Willem Renalts, 1632. 3. Amsterdam, Pijpenkabinet collectie Pk 16.329. 4. De standaard hoogte ligt tussen de 3,4 en 3,8 centimeter, de hoogste ketelsoorten meten tussen de 4,3 en 4,4 centimeter en zijn dus tot bijna dertig procent groter. 5. D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 35, afb 61 en p 36. Don Duco, 'De Amsterdamse pijpenmaker Eduard Bird, een levensschets', Pijpenkabinet, Amsterdam, 2002, afb 7. |
|||||||||
| artikel | |||||||||
![]() |
|||||||||
![]() |
|||||||||
![]() |
|||||||||
![]() |
|||||||||
![]() |
|||||||||
|
Pijpenkabinet - nationaal museum met de internationale collectie
© copyright Pijpenkabinet, Amsterdam |
|||||||||