artikel

Pijpvondsten van de Maasboulevard te Venlo

Don Duco

Kaalslag en herbouw op een uitgestrekt terrein langs de Maasboulevard in Venlo heeft voor het eerst de mogelijkheid gegeven om grootschalig archeologisch onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis in een Limburgse stad te verrichten. Daarbij zijn talrijke archeologische vondsten geborgen die een periode van 1620 tot 1850 omspannen. Op het betreffende terrein werden aan kleipijpen in totaal 2064 pijpfragmenten geborgen, onder te verdelen in 356 pijpenkoppen of fragmenten en 1708 pijpenstelen. Het onderhavige artikel beschrijft dit rookgerei en plaatst dit in de tijd. Daarmee geeft het tevens een eerste indruk van het rookgedrag in een Limburgse plaats met inbegrip van aspecten als distributie en marktaanbod, maar ook modeaspecten en gebruik.

Beschrijving van het materiaal
De pijpvondsten uit de zeventiende eeuw zijn gering in omvang. In totaal zijn 542 exemplaren geborgen, hetgeen krap een kwart van het totaal aan pijpfragmenten is. De vroegst gevonden tabakspijpen vertonen het bekende dubbelconische ketelmodel (basismodel 1). Zij wijken niet af van kleipijpen die in dezelfde periode in de westelijke provincies zijn gerookt. Het meest kenmerkende product is een afgewogen dubbelconische ketel (afb. 1) voorzien van een zware en brede hiel, daterend uit circa 1630. Deze kleipijp stamt uit de werkplaats van de Goudse pijpenmaker Rogier Appelbije (werkzaam 1621-1637, noot 1). De brede hiel is in Gouda en in Rotterdam gedurende een korte periode favoriet en wordt door meerdere makers vervaardigd. Het gaat dus om een kleipijp met een duidelijk modekenmerk. Bijzonder aan deze vondst is, dat dit product nog niet uit andere Nederlandse opgravingen bekend is.

Naast aangevoerde pijpen wijzen enkele andere exemplaren op regionale vervaardiging. Zij bevestigen dat ook in Noord-Limburg het rookgerei reeds rond 1630 lokaal werd gemaakt. Dat daarbij de stijl werd afgekeken van producten uit de provincie Holland is begrijpelijk. In de vormgeving en afwerking vertonen deze regionale kleipijpen echter kleine afwijkingen, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit iets gewijzigd model, het ontbreken van een radering rond de ketelopening of het voorkomen van een merk op een product terwijl de bijbehorende kwaliteitsveredeling ontbreekt. Helaas zijn de gevonden pijpenkoppen niet nader naar productieplaats of maker te duiden.

Pas tegen het midden van de zeventiende eeuw komt een meer gestage aanvoer van tabakspijpen vanuit andere productiecentra op gang, terwijl het aandeel pijpen van regionale makelij niet verder uitgroeit. Merkwaardig genoeg worden de pijpen in die periode overigens niet uit Gouda, dan inmiddels toonaangevend centrum van de pijpennijverheid, betrokken. De import komt uit Amsterdam, Gorinchem of Maastricht. Qua uitstraling zijn deze producten overigens goed verglijkbaar met de Goudse voorbeelden, al is de kwaliteit doorgaans wat minder. Bijkomend voordeel is dat de productprijs van de niet-Goudse waar doorgaans lager heeft gelegen. Het lijkt erop dat het smaakgevoel voor kleipijpen bij de Venlose roker in die periode nog niet bijster ontwikkeld was en dat de goedkope lokale producten kwalitatief ruimschoots voldeden.

Een opmerkelijke vondst is een Jonaspijp van Amsterdamse makelij, die tussen 1635 en 1645 moet zijn vervaardigd. Als de andere vondsten gaat het om een eenling en het is onduidelijk hoe dit importmateriaal in Venlo terecht is gekomen. Via de rivieren kunnen dergelijke producten echter ook tussen de lippen van de roker verplaatst zijn. De beperkte omvang van het materiaal en het feit dat niets in meervoud is aangetroffen, wijst in ieder geval niet op gevestigde handelskanalen.

Tegen het eind van de zeventiende eeuw treedt daarin verandering op en ontstaat er een meer specifieke keuze van tabakspijpen. Overeenkomstig de West-Nederlandse gebruiken gaat de roker in Venlo onderscheid maken tussen de meer standbewuste lange pijp van fijne kwaliteit en de eenvoudige korte grove pijp. In de tijd tussen 1700 en 1740 domineren in Venlo de Goudse kwaliteitspijpen. De aanvoer lijkt zich te bestendigen. De verschuiving van korte naar langere pijpen wortelt in de verandering in de Goudse pijpennijverheid, waar de langgesteelde pijp de boventoon gaat voeren. Daarnaast heeft toename van luxe in het rookgerei ook met een hogere welstand van de afnemer van doen. De acceptatie van het roken in de betere stand is daaraan tenslotte ook nog debet. De regionale pijpenmakers kunnen niet langer met de Goudse kwaliteitsproductie rivaleren en verdwijnen geleidelijk. Gouda verovert hierdoor een monopolie en zal de markt in kleipijpen over langere tijd beheersen. De maker in de regio richt zich op de korte grove pijp en gaat louter voor zijn lokale klanten werken. Van grootschalige productie buiten de Goudse periferie is dan geen sprake meer.

Na het jaar 1700 zijn op de Venlose markt twee categorieën kwaliteitspijpen verkrijgbaar. Aanvankelijk domineren Goudse pijpen uit kleinere werkplaatsen, die niet echt als verdienstelijk bekend staan. De merken hiervan zijn niet veelgevraagd maar het product is goed van vormgeving en afwerking. Zij zullen via lokale verkopers in deze streek verzeild zijn geraakt. De tweede categorie is afkomstig van gevestigde Goudse kooplieden-fabrikanten. De eersteling die voet aan de grond krijgt in Venlo is Jan Cornelisz. van Geneven (werkzaam 1681-1711). Zijn producten dragen als merk de schoen gekroond. Van Geneven besteedde het merendeel van zijn orders uit bij kleine Goudse pijpenmakersbazen, zodat hij zijn aandacht volledig op grootschalige verkoop kon richten. In de loop van zijn carrière heeft hij een groeiende afzet via kooplieden weten te realiseren. Om die reden wordt het merk de schoen wel als exportmerk gezien, al blijft de omvang van zijn orders en de bestemming van zijn afleveringen diffuus.

Vanaf 1720 verkrijgt de gigant Jacob Arijsz. Danens (werkzaam 1722-1761) uit Gouda afzet in Venlo en het lijkt erop dat hij de leveranties van Van Geneven continueert. In meerdere huishoudens rookt de burger van stand uit zijn pijpen getekend op de hiel met het merk molentje. Hoe Danens op de Venlose markt heeft kunnen doordringen is onduidelijk, maar hetzelfde geldt ook voor veel van zijn andere afzetgebieden. Interessant is dat naast de echte producten van Danens ook een kopie is gevonden (afb 2). Bij deze kleipijp zien we een minder uitgewerkte detaillering in het merkstempel, terwijl bovendien over het midden van de ketel een lichte verdikking loopt, die op een soort versiering moet wijzen maar in feite een gebrekkige manier van vormgraveren is.

In Venlo maakt de gewone man overigens gebruik van de korte grove pijp zonder makersmerk. Dit product is dikwijls voorzien van een roosje in reliëf op de zijkant van de ketel. Het materiaal komt overwegend uit de kleinere West-Nederlandse werkplaatsen, maar moet ook regionaal zijn geproduceerd. Gezien de geringe vormgevings- en afwerkingskenmerken zijn deze kleipijpen niet nader te duiden. Tellingen van de teruggevonden aantallen laat duidelijk zien dat de korte pijp het algemene rookinstrument is, de lange pijp is statusdrager en luxe.

Een grove pijp maar meer opvallend dient hier nog vermeld te worden. Het gaat om een geheel in reliëf versierde pijpenkop (afb 3). De ene zijde van de ketel toont het wapen van de provincie Zeeland, de andere kant is gesierd met de Maagd in de Hollandse tuin. Hoewel deze voorstelling vooral Hollands aandoet, wijst de manier van graveren op lokale productie in bijvoorbeeld Maastricht. Daar beleefde de versierde grove pijp percentueel een grotere belangstelling dan in de provincie Holland. Zowel het ketelmodel als de motievenschat wordt door de Limburgse pijpenmaker overigens afgekeken van de Hollandse voorbeelden, vandaar dat we hier als motief het wapen van Zeeland tegenkomen en niet dat van bijvoorbeeld Limburg. Voor de roker had deze reliëfpijp een luxe uitstraling, maar het blijft de vraag of de consument de behoefte voelde de wapens te duiden en zich af te vragen waarom juist dat wapen was afgebeeld. De productiedatum ligt op circa 1700.

Uit dezelfde tijd stamt een kleipijp die buitengewoon gangbaar is in het westen maar in Venlo nauwelijks is gevonden (afb 4). Het is de standaard grove pijp met spoor en uiteraard zonder merk. Heel uitzonderlijk is dit product wel voorzien van een getordeerde steel, die in de nog zachte klei is uitgesneden. Dergelijke producten waren vaak een toegift op een gros gewone pijpen.

Een vrij plotselinge verandering in keuze van de tabakspijp constateren we na 1730. Dan wordt de Venlose markt overspoeld met producten uit het Duitse Westerwald. In de plaatsen Höhr, Grenzau en Grenzhausen, maar ook in Neuwied en enkele dorpen worden pijpenmakerijen opgezet. Temidden van rijke kleivelden, die al decennia lang klei aan andere centra leverden, ontwikkelt de nijverheid zich in korte tijd tot boven-regionaal. De Goudse productietechniek vormt de basis, terwijl de Goudse stijl het uitgangspunt wordt. Al gauw ontwikkelt men er echter een eigen vormengamma met een voorliefde voor korter gesteelde producten. Uiteraard sluit die keuze beter aan bij de aard van de nijverheid in dat gebied, die overwegend een huisnijverheid is.

In Venlo bevat vrijwel iedere vondstgroep van na 1730 producten uit het Westerwald en kenmerkend voor de Duitse kleipijpen uit die periode is de kwaliteit. Ten eerste is de gebruikte kleisoort buitengewoon fijn van structuur en hagelwit van kleur. De verwerking van de klei is dusdanig dat een prachtig glad oppervlak wordt verkregen, dat daarenboven nog zorgvuldig wordt afgewerkt. Het glazen van de pijpen is in het Westerwald al snel even hoog ontwikkeld als in Gouda. Kortom, dankzij grote aandacht voor alle aspecten van het productieproces wordt in het Westerwald een prachtige kleipijp gemaakt.

In één facet blijft de Duitse kleipijp echter ruimschoots achter op de Goudse. In het Westerwald wordt namelijk weinig aandacht aan het pijpenmakersmerk besteed. De ongelooflijke discipline die de Goudse nijverheid hierin aan de dag legt, ontbreekt in het Westerwald vrijwel. Weliswaar is bijna tachtig procent van de producten van een merkteken voorzien, maar de wijze waarop mist de intentie die de Gouwenaar hierin aan de dag legt. De merken op de producten zijn qua gravering doorgaans nogal diffuus en daardoor slecht leesbaar zodat de advertentiewaarde verloren gaat. Het lijkt erop dat het onderscheid van de verschillende merken voor deze pijpen niet van belang is geweest of dat de pijpenmaker dit belang niet heeft onderkend.

Als gevolg hiervan zien we in Venlo onder de rokers geen merkgericht koopgedrag meer. Men schaft zich aan wat voorhanden is en het merkteken zelf is daarvoor geen criterium. Om die reden vinden we in de meeste vondstgroepen uiteenlopende merken al blijven bepaalde merktekens de markt wel domineren. Een voorbeeld daarvan is het initiaalmerk GH dat het meest frequent is gevonden. Dit merk is nog niet aan een maker gerelateerd, en het is goed mogelijk dat de letters voor Grenzhausen staan. In dat geval is er sprake van een algemeen merkteken. Overigens is dit merk vermoedelijk op instigatie van een handelshuis geplaatst, want ook in het Westerwald is al gauw sprake van werkuitbesteding door kooplieden aan kleine zelfstandige pijpenmakers.

De Duitse pijpenmakers inspireren zich bij de aanname van een makersmerk overigens wel op het Goudse voorbeeld. Talloze Goudse merken worden er nagegraveerd, maar zoals opgemerkt is de gravering dikwijls zo onzorgvuldig gebeurd dat de leesbaarheid ervan minimaal is en de imitatie al snel ontmaskerd moet zijn. Tot de nagemaakte merken behoren ook de twee reeds genoemde Goudse exportmerken, de tekens schoen gekroond en molen. In veel gevallen laat de imitatie zich door de weinig krachtige gravering van het merkstempel herkennen, in enkele andere gevallen blijft twijfel over de herkomst bestaan. Vanwege de slechte gravering in het Westerwald konden talloze merken uit de Venlose complexen niet worden gedetermineerd.

Hoewel de oorsprong van de Westerwaldse pijpenproductie terugvoert op de Goudse, ontwikkelt de nijverheid daar zich vanaf het tweede kwart van de achttiende eeuw op geheel eigen wijze. De pijpenmakerijen houden daarbij enkele bekende Goudse modellen in productie, maar een belangrijke omzet wordt gemaakt in vormsoorten met een eigen verdienste of een ontwerplijn afgekeken van pijpen uit andere centra. Daarnaast worden ook modellen in productie gebracht die zijn geïnspireerd op rookgerei voor afzetgebieden in den vreemde.

Het bekendste Duitse pijpmodel is de dopvorm met een afgewogen ketellijn en een optimale afwerking (afb 5). Zij bestaat in een gewone en een meer verfijnde versie. De eerste is ongeglaasd en heeft een steeldecoratie met een overlangse cannelering die voor ons smaakgevoel afbreuk doet aan de scherpe ketelvorm. De betere kwaliteit is fraai gepolijst, zo zorgvuldig dat de strepen van de agaatsteen niet de minste tussenruimte laten. Dergelijke producten worden uiteraard op de hiel van een makersmerk voorzien. Beide soorten zijn in Venlo teruggevonden. Een maatschappelijk verschil tussen rokers uit de eenvoudige kwaliteit of de betere laat zich echter niet nawijzen.

Naast de dopvorm zijn er in Venlo nog andere pijpmodellen in gebruik, die minder specifieke kenmerken vertonen. Zo komen we er een hoge ketel tegen die qua inhoud tussen basismodel 2 en 3 ligt (afb 6). In Gouda is dat model onbekend en bij deze producten is opnieuw sprake van diffuse hielmerken. Het meest frequent komt de lettercombinatie II voor, waarvan het stempel zo primitief is uitgevoerd dat de letters op twee staande streepjes lijken (afb 7).

Meer algemeen is een trechtervorm (afb 8) gevonden, met op de steelzijde van de ketel een gestempeld makersmerk. In feite gaat het om een ouderwets ketelmodel met een groter, trechtervormig formaat en dit model lijkt een synthese tussen basismodel 2 en de dopvorm. Aangezien de hiel tot een spoorvorm evolueerde, moest het merkteken naar de steelzijde van de ketel verhuizen. De oorsprong van dit model is onduidelijk, al heeft het grote populariteit in de Hanzesteden Bremen en Hamburg gekend en is vermoedelijk ook daar bij grote aantallen gemaakt. Hoewel de merken B gekroond en schoen gekroond op Goudse productie wijzen, vertoont de uitvoering van de stempels weer de Westerwaldse kenmerken.

Een minder gangbaar Duits product heeft een kleine ovale ketel (afb 9), die geheel tegen de regels van het Goudse gilde in, niet is geglaasd. Aangezien verglazing bij de Goudse kwaliteitspijp vanaf 1740 altijd voor komt, is hier sprake van een tussensoort: de ovale ketel is per definitie luxe maar heeft hier door gebrek aan veredeling een bijna armoedige uitstraling.

Onder invloed van pijpen uit andere streken wordt er in het Westerwald ook nog a-typische waar geproduceerd. Het meest aantrekkelijke voorbeeld daarvan is de huzarenkop (afb 10, 11). De ketel van deze pijp heeft een hoge bekervorm die met een mannenportret is gefigureerd. De decoratie is vermoedelijk geïnspireerd op producten uit Duitsland of zelfs midden-Europa. Van deze soort zijn in twee Venlose vondstcomplexen exemplaren teruggevonden. Ook hier wordt de kwaliteit benadrukt door de afwerking. Beide typen zijn heel ongebruikelijk op de onversierde delen met agaatsteen gepolijst. Wederom manifesteert zich de zorgvuldige Duitse afwerking, die in feite in contrast staat met de vrij primitieve gravering van de decoratie. Dat contrast wordt nog versterkt door een aanzienlijke vormslijtage, vooral bij het tweede type zichtbaar. Zo is de muts van de voorgestelde zo sterk gesleten dat de samenhang verdwenen is.

Eén van de vondstgroepen bevat vier identieke huzarenpijpen en dit wijst erop dat dit artikel in Venlo geen curiosum is geweest dat bij toeval tussen de lippen van een roker daar verzeild is geraakt. Hier moet sprake zijn van een zekere mode en een meer bestendige aanvoer. Het bekermodel vinden we ook nog in enkele andere variaties. Zo is er een a-typisch exemplaar geborgen met aan de ketelbasis een aan een schelpmotief ontleende decoratie (afb 12). Een hogere bekervorm is van wat latere datum (afb 13). Op de overgang van de ketel en de steel is in reliëf een liggende meermin gegraveerd, waarvan de staart op de steel uitloopt in een tamelijk onoverzichtelijke bijna geometrische decoratie. Vooral de gravering van de vrouw is weinig geslaagd en deze boerse versiering is bepaald geen toevoeging aan het bijzondere pijpmodel. Dit pijptype zal later met een de steeltekst tussen geometrische banden een veelgevraagde exportpijp worden (noot 2).

Behalve de Duitse import zijn er in Venlo onder de vondsten ook nog pijpen geborgen met het kenmerkende ovale Goudse pijpmodel (basistype 3). Dit materiaal is bij overvloed in Gouda geproduceerd en werd over de hele wereld verscheept. Het Venlose materiaal stamt echter niet uit Gouda doch uit lokale werkplaatsen, die niet schroomden ieder aspect van de Goudse verdienste, inclusief de Goudse merken en bijmerken te imiteren (afb 14). Dergelijke producten zijn vanaf 1750 zowel in de Hollandse provincies als in de Maasstreek en in Duitsland gemaakt. Het is meestal niet moeilijk de niet-Goudse waar van de Goudse te scheiden. Reden daarvoor is dat de bedrijfsdiscipline in Gouda te strak en te eenduidig was, waardoor een maximale uniformiteit ontstond. In de veelal kleine werkplaatsen elders ontbreekt deze discipline zodat het product vooral in raffinement afwijkt. Toeschrijving aan een bepaald bedrijf is echter buitengewoon moeilijk. Over de lokale imitatoren zijn we via de archiefstukken soms wel geïnformeerd, maar voorbeelden wat men in die bedrijven maakte ontbreken dikwijls. De nagezette merken zijn doorgaans afgekeken van de merken die op dat moment in die streek veel vraag genoten. Voor Limburg was dat vooral het merk 46 gekroond, maar per streek en periode wisselen de merken.

Naast de a-typische graveerwijze van het hielstempel wijkt ook het bijmerk af van de oorspronkelijke Goudse producten. Dit bijmerk kon buiten de provincies Holland en West-Friesland tot 1791 straffeloos worden nagezet en dat is dan ook veelvuldig gebeurd (noot 3). De wijze van gravering aan de zijkant van de hiel van de pijp is echter gemakkelijk van de Goudse slagstempels te onderscheiden. De Nederlanders brachten het er daarbij beter af dan de Duitsers. Zij kenden het uiterlijk van het teken, terwijl de Duitse pijpenmakers zich vooral geïnspireerd hebben op onbegrepen imitatie wapentjes van hun collega’s Daarbij zijn de zes Goudse sterren vaak voor vier stippen verruild.

Tenslotte is het vermelden van de vondst van enkele draaistelen nog van belang. Het gaat om pijpen waarvan de steel over grotere lengte is ingesneden en waarbij de zo ontstane tordering met een radering is afgezoomd. Aan het begin en eind van de decoratie werd als afsluiting vaak een steelring met parelfilet aangebracht. Dergelijke versierde pijpen behoorden tot de toegift op een gros pijpen van een standaard soort al werden zij vaak afzonderlijk verkocht om als feestpijp te worden gebruikt. Van dit soort pijpen zijn meerdere fragmenten geborgen, die van verschillende herkomst zijn. In de periode 1700 tot 1730 domineert de Goudse versie, daarna komen we exemplaren van Duitse makelij tegen. De Duitse pijpenmakers passen deze decoratie gedurende de hele achttiende eeuw toe en doen dit eerder op de eenvoudige dan op de luxe kwaliteit.

Pijpvondsten uit de negentiende eeuw zijn minimaal vertegenwoordigd. De datering van enkele van de kenmerkende Goudse ovale koppen loopt mogelijk tot ongeveer 1850 door. Wat dat betreft is de stijl te weinig aan mode gebonden om een exacte datering te geven waardoor vooral een slotdatering moeilijk te geven is. Van de in Venlo gestichte pijpenfabriek, die van kort na 1800 tot 1819 heeft gefunctioneerd (noot 4), is geen materiaal herkend. De productie zal in dit bedrijf overwegend op de Goudse leest gestoeld zijn geweest. Wel blijkt dat het personeel van de fabriek overwegend in het Westerwald is opgeleid.

Ter afsluiting nog iets over de gebruikssporen van de pijpen, die ons informeren over de frequentie waarop de kleipijpen zijn gerookt. Opvallend bij deze vondsten is dat het merendeel van de pijpen weinig gebruikt is. Dit is over de gehele periode het geval maar geldt met name voor de eerste helft van de achttiende eeuw. Wanneer er nu grote aantallen pijpen zouden zijn gevonden, kunnen we dit aanmerken als een luxe spilzucht. Aangezien er echter sprake is van weinig vondstmateriaal, lijkt het er eerder op dat het roken in Venlo niet buitengewoon populair is geweest. Een uitzondering vormen echt intensief gebruikte producten, die slechts in drie complexen zijn gevonden. Deze vondsten kunnen we gerust bestemmen als zuinig gebruikt rookgerei en dit zegt vermoedelijk meer over die specifieke gebruikers dan over de algemene gewoonte in Venlo.

Samenvatting en conclusie
De vondsten langs de Maasboulevard in Venlo leveren ons een eerste inventarisatie op van het gebruik van kleipijpen in Limburg. Voorlopig staat dit vondstcomplex model voor het rookgedrag in de zeventiende en achttiende eeuw in Limburg. Uit de vondsten kunnen we een aantal conclusies opmaken. Ten eerste blijkt dat het roken van tabak in deze streek vrijwel gelijktijdig in de mode komt als in West-Nederland. Wel is er percentueel minder belangstelling voor het tabaksgebruik, zowel qua aantal rokers als qua rookmomenten. Tussen 1650 en 1750 moet het pijproken er echter een geaccepteerd genoegen zijn geweest, al lijkt de gewoonte opnieuw minder ingeburgerd dan in bijvoorbeeld de provincie Holland het geval is geweest. Daarvan getuigen de aantallen gevonden pijpen en de beperkte gebruiksintensiteit. De geringe omvang van de zeventiende eeuwse vondsten maakt meer specifieke conclusies helaas niet mogelijk.

In het eerste kwart van de achttiende eeuw stemt het beeld overeen met dat voor West-Nederland: grove en fijne soorten pijpen worden naast elkaar gebruikt. De fijn afgewerkte kleipijp dient de meer standsbewuste roker, de grove pijp is voor de eenvoudige man bestemd. De aangevoerde lange pijpen zijn overwegend Gouds van makelij en bestaan primair uit producten afkomstig uit kleine bedrijven met weinig naam. Daarnaast domineren achter elkaar twee handelshuizen de Venlose markt. Uit de verhouding tussen de grove pijpen en de fijne producten maken we op dat de tabakspijp ook in Venlo een statusartikel is geworden. Vooral in het eerste kwart van de achttiende eeuw is bij de roker een hang naar lange pijpen met een zekere pronkzucht niet vreemd al blijven er evenwel rokers de korte pijp gebruiken.

Vanaf 1730 blijkt er in Venlo van een afwijkend patroon sprake te zijn. Deze komt voort uit veranderde handelscontacten. De opkomst van pijpenmakerijen in het Duitse Westerwald geeft nieuwe aanvoer met een grotere variëteit aan pijpmodellen. Gelijktijdig gaat de korter gesteelde pijp domineren. Het modellengamma verandert van Gouds naar Duits waarbij dopvormen, hoge wijde bekers en exportmodellen overheersen. De gemiddelde kwaliteit blijft echter onveranderd of wordt zelfs iets beter doordat de grove pijp vrijwel verdwijnt. De Duitse producten kunnen door marskramers uit het Westerwald zijn overgebracht, maar gezien de aantallen van sommige pijpen is er zeker ook van gevestigde handelskanalen sprake geweest, waarbij pijpen over een langere periode minimaal per gros tegelijk zijn aangevoerd.

De import uit Duitsland brengt een verandering in het silhouet van de roker teweeg. Na 1730 streeft de Venlose roker niet langer het statusbeeld van de lange pijp na. Dan prevaleert het kortere product al blijft men wel oog voor kwaliteit houden. De maatpijpen van ruim veertig centimeter maken dus plaats voor pijpen tussen de twintig en dertig centimeter steellengte. In West-Nederland beleeft de lange pijp nog tot ver in de negentiende eeuw grote vraag. In Venlo keert dit gebruik na 1770 in beperkte mate terug, mogelijk gestimuleerd door een eigen pijpenfabriek.

Een merkentrouw gedrag onder de consument zien we in Venlo na 1730 niet meer. De pijpenmakers in het Westerwald hechten aan het merken van kleipijpen weinig waarde. Gewoontegetrouw worden de pijpen van een gestempeld makersmerk voorzien, maar van een merkenpolitiek zoals Gouda kende is geen sprake. Het gevolg van de slechte leesbaarheid van de merken is dat het merk als verkoopargument niet meer telt.

Het fijngevoelige Westerwaldse materiaal geeft misschien een vertekend beeld van de pijpennijverheid aldaar. In de kleinschalige bedrijfjes is naast waar van kwaliteit ook veel eenvoudig goed gemaakt. Dat productiesegment is veelal voor de export naar gebieden buiten Europa bestemd en is in Venlo niet gevonden. Wel is langs de Maasoever enig curiosagoed aangetroffen.

De a-typische vondsten zijn echter te gering in aantal om hieraan conclusies te verbinden. Wat de zeventiende eeuw betreft behoort daartoe de gemelde Jonaspijp en van rond 1700 de in reliëf versierde wapenpijp. Waarschijnlijk zijn dergelijke producten door een particulier meegebracht en op de locatie gebroken en weggeworpen. In ieder geval gaat het om eenlingen. Voor de achttiende eeuw zijn de a-typische pijpen, zoals de huzarenkop, in die stad op dat moment geen unica geweest. Gezien de gevonden aantallen waren zij standaard in het assortiment van de pijpen- of tabakshandelaar verkrijgbaar.

Opvallend is dat behoudens een enkele vondstgroep er buitengewoon weinig materiaal is geborgen en daarenboven dat dit ook nog tamelijk fragmentarisch is. De meeste pijpenkoppen zijn minimaal gebruikt. Dat zegt wellicht iets over het feit dat het roken van tabak in de zeventiende en achttiende eeuw in Venlo niet zo’n algemeen genoegen is geweest als in de provincie Holland het geval was. De reden hiervoor is in het geheel niet duidelijk, het kan een geloofsdwaling zijn maar er kan ook van economische factoren sprake zijn. Driemaal toont een beerputinhoud materiaal van een stevige roker of rokers, die met dezelfde kleipijp vele tientallen keren rookten. Dergelijke verstokte rokers zijn in Venlo blijkbaar schaars geweest.

Al met al hebben de vondsten van de Maasboulevard nieuw licht geworpen op het rookgerei in Limburg. De eerste conclusies over dit materiaal zijn een aanmoediging om ook elders in deze provincie vondstcomplexen op kleipijpen te zeven en aan nader onderzoek te onderwerpen. Tenslotte bewijst deze vondst dat aanvullend historisch onderzoek in lokale archieven naar pijpenmakers wenselijk is. De bestaansperiode van lokale bedrijven kan de sleutel zijn tot het nader determineren van de nu nog niet thuis te brengen pijpfragmenten. Dat daartoe ook een grondige studie naar pijpen uit het Westerwald behoort, moge duidelijk zijn.

© D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, augustus 2006

Afbeeldingen

Tekeningen

1. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel, basismodel 1, hielmerk RA gekroond in contour. Gouda, Rogier Appelbye, 1625-1630.

2. Tabakspijp met trechtervormige ketel en hiel, basismodel 2. Imitatie van Jan Danens uit Gouda, hielmerk molen. Westerwald, 1710-1730.

3. Tabakspijp met trechtervormige ketel en hiel. Ketel links in reliëf wapenschild van Zeeland en rechts Maagd met vrijheidshoed in de Hollandse Tuin. Limburg?, 1685-1710.

4. Tabakspijp met trechtervormige ketel, spoor en rechte steel. Spoor links vormmerk halve maan. Steel ingesneden torderingen afgesloten met een ring met zigzag motief. Nederland, 1700-1720.

5. Tabakspijp met dopvormige ketel, hiel en rechte steel, hielmerk GH, zijmerk imitatie wapenschild van Gouda met stip erboven. Westerwald, Grenzhausen ?, 1745-1770.

6. Tabakspijp met ovaalvormige ketel tussen basismodel 3 en 4, hielmerk B gekroond. Westerwald, 1750-1770.

7. Tabakspijp met ovaalvormige ketel tussen basismodel 3 en 4, hielmerk II. Westerwald, 1750-1770.

8. Tabakspijp met trechtervormige ketel en spoor, steelzijde van de ketel merk schoen gekroond. Westerwald, 1740-1770.

9. Tabakspijp met ovaalvormige ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd en zonder hielmerk. Westerwald, 1740-1770.

10. Tabakspijp met hoge bekervormige ketel, zonder hiel en rechte steel. Ketel de vorm van een huzarenkop, steel bandstempel. Westerwald, 1760-1780.

11. Tabakspijp met hoge bekervormige ketel, zonder hiel. Ketel de vorm van een huzarenkop. Westerwald, 1760-1780.

12. Tabakspijp met bekervorm ketel, zonder hiel en rechte steel. Ketelbasis doorlopend op de steel in reliëf motief van knorren of ribben. Steel bandstempel. Westerwald, 1760-1800.

13. Tabakspijp met hoge beker ketel, zonder hiel en rechte steel. Steelhoek zeemeermin met aan weerszijden van de steel een gekrulde staart, de decoratie gaat over in een onoverzichtelijke geometrische versiering. Westerwald, 1770-1810.

14. Tabakspijp met ovale ketel, hiel en rechte steel, basismodel 3, hielmerk 46 gekroond, bijmerk links hiel imitatie Gouds wapenschild. Limburg/Westerwald, 1760-1820.

Foto’s

1. Tabakspijp met dubbelconische ketel, brede hiel en rechte steel, filtradering, ketel en steel geglaasd. Hielmerk RA gekroond in contour. Fijne kwaliteit. Gouda, Rogier Appelbye, 1625-1630.

2. Trechtervormige pijpenkop met links in reliëf het gekroonde wapenschild van Zeeland en rechts de Maagd met vrijheidshoed in de Hollandse Tuin. Grove kwaliteit. Limburg ?, 1685-1710.

3. Trechtervormige ketel met hiel (basismodel 2), de ketel rond het zwaarste punt verdikt, hielmerk molen. Fijne kwaliteit. Westerwald, 1710-1730.

4. Twee pijpenkoppen met bekermodel in reliëf versierd met het hoofd van een huzaar, gebotterd, geglaasd. Westerwald, 1760-1780.

Noten

1. D.H. Duco, De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden, Oxford, 1981, p 316.

2. Don Duco, ‘Veertig jaar speculaties rond Peter Dorni pijpen’, Pijpelijntjes, VII-4, 1981, p 1-8.

3. D.H. Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003, p 45.

4. F.F. Kompier, ‘Pijpenfabricage in Venlo’, Pijpelogische Kring Nederland, IV-16, 1982, p 75-99.

1. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel, basismodel 1, hielmerk RA gekroond in contour. Gouda, Rogier Appelbye, 1625-1630
2. Tabakspijp met trechtervormige ketel en hiel, basismodel 2. Imitatie van Jan Danens uit Gouda, hielmerk molen. Westerwald, 1710-1730
3. Tabakspijp met trechtervormige ketel en hiel. Ketel links in reliëf wapenschild van Zeeland en rechts Maagd met vrijheidshoed in de Hollandse Tuin. Limburg?, 1685-1710
4. Tabakspijp met trechtervormige ketel, spoor en rechte steel. Spoor links vormmerk halve maan. Steel ingesneden torderingen afgesloten met een ring met zigzag motief. Nederland, 1700-1720
5. Tabakspijp met dopvormige ketel, hiel en rechte steel, hielmerk GH, zijmerk imitatie wapenschild van Gouda met stip erboven. Westerwald, Grenzhausen ?, 1745-1770
6. Tabakspijp met ovaalvormige ketel tussen basismodel 3 en 4, hielmerk B gekroond. Westerwald, 1750-1770
7. Tabakspijp met ovaalvormige ketel tussen basismodel 3 en 4, hielmerk II. Westerwald, 1750-1770
8. Tabakspijp met trechtervormige ketel en spoor, steelzijde van de ketel merk schoen gekroond. Westerwald, 1740-1770
9. Tabakspijp met ovaalvormige ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd en zonder hielmerk. Westerwald, 1740-1770
10. Tabakspijp met hoge bekervormige ketel, zonder hiel en rechte steel. Ketel de vorm van een huzarenkop, steel bandstempel. Westerwald, 1760-1780
11. Tabakspijp met hoge bekervormige ketel, zonder hiel. Ketel de vorm van een huzarenkop. Westerwald, 1760-1780
12. Tabakspijp met bekervorm ketel, zonder hiel en rechte steel. Ketelbasis doorlopend op de steel in reliëf motief van knorren of ribben. Steel bandstempel. Westerwald, 1760-1800
13. Tabakspijp met hoge beker ketel, zonder hiel en rechte steel. Steelhoek zeemeermin met aan weerszijden van de steel een gekrulde staart, de decoratie gaat over in een onoverzichtelijke geometrische versiering. Westerwald, 1770-1810
14. Tabakspijp met ovale ketel, hiel en rechte steel, basismodel 3, hielmerk 46 gekroond, bijmerk links hiel imitatie Gouds wapenschild. Limburg/Westerwald, 1760-1820
1. Tabakspijp met dubbelconische ketel, brede hiel en rechte steel, filtradering, ketel en steel geglaasd, hielmerk RA gekroond in contour. Fijne kwaliteit. Gouda, Rogier Appelbye, 1625-1630
2a. Trechtervormige pijpenkop met links in reliëf het gekroonde wapenschild van Zeeland en rechts de Maagd met vrijheidshoed in de Hollandse Tuin. Grove kwaliteit. Limburg ?, 1685-1710
2b. Trechtervormige pijpenkop met links in reliëf het gekroonde wapenschild van Zeeland en rechts de Maagd met vrijheidshoed in de Hollandse Tuin. Grove kwaliteit. Limburg ?, 1685-1710
3. Trechtervormige ketel met hiel (basismodel 2), de ketel rond het zwaarste punt verdikt, hielmerk molen. Fijne kwaliteit. Westerwald, 1710-1730
4a. Twee pijpenkoppen met bekermodel in reliëf versierd met het hoofd van een huzaar, gebotterd, geglaasd. Westerwald, 1760-1780
4b. Twee pijpenkoppen met bekermodel in reliëf versierd met het hoofd van een huzaar, gebotterd, geglaasd. Westerwald, 1760-1780

klik hier voor
adres

< back
<< home

Amsterdam Pipe Museum - the worldwide culture of pipe smoking
©
copyright Amsterdam Pipe Museum - voorheen Pijpenkabinet, Amsterdam