| artikel |
Pijpvondsten aan het Bolwerk in GoudaDoor Don Duco
Het terrein dat bekend staat als het Bolwerk is gelegen aan de rand van het oude centrum van Gouda aan het eind van de Raam. Het gebied wordt begrensd door het Nonnenwater, de Gouwe en de Turfsingel en ligt nog net binnen de Potterspoort. De kade van het Nonnenwater heette vroeger Rotterdamse Veer toen op deze plaats nog water liep. Dit water boog indertijd naar de Raam af waar het centrum van de pijpenmakerij te vinden was. Het Bolwerk zelf is een gebied waar weinig nijverheid heeft plaatsgevonden. Wanneer we de kaart van Guicciardini uit 1660 bekijken, zien we hier heel prominent een hof met geometrische tuin en een beperkte bebouwing langs de straten die toen nog aan water grensden. De zijde langs de Gouwe is dan reeds volgebouwd met particuliere woonhuizen, maar aan het Rotterdamse veer liggen rond 1660 nog enkele percelen braak. Nadat een kloostergebouw in dit gebied domineerde, wordt aan de Turfsingel een leprozenhuis gebouwd. In de achttiende eeuw staat dit complex bekend als Proveniershuis, een oudeliedengesticht waar je na inkoop een verzorgde ouden dag kreeg. In de loop van de decennia wordt dit verzorgingshuis uitgebouwd met langs alle zijden van het hof huisjes, terwijl ook de gevelwand aan het Nonnenwater dan volledig volgebouwd is. Tussen 1840 en 1860 maakt het proveniershuis plaats voor de gasfabriek die dit gebied vanaf dat moment geleidelijk gaat domineren. Gravend op zo’n groot terrein in de Goudse binnenstad zou je verwachten dat werkelijk overal misbakselgoed en breukmateriaal van de pijpenmakerij te vinden is. Een hoofdnijverheid die meer dan twee eeuwen tussen de zestig en vierhonderd zelfstandige bedrijven telde, moet een ongelooflijke hoeveelheid gebroken pijpen nalaten met imperfecties door misvorming, een slordige wijze van afwerken of door bakfouten. Daarnaast is er nog het gewone breukgoed, pijpen die bij het sorteren en verpakken door onhandigheid sneuvelden. De bovengenoemde verwachting is echter niet uitgekomen want bij de opgraving aan het Bolwerk in Gouda zijn in totaal slechts 1574 pijpfragmenten geborgen. De vondsten zijn onder te verdelen in 1016 pijpenkoppen en 558 pijpenstelen. Met dit aantal geeft het materiaal van het Bolwerk in Gouda een heel ander beeld dan verwacht. Ten eerste is de hoeveelheid stortgoed van bedrijven zeer beperkt en bovendien grotendeels gemengd met huishoudelijk afval. Geen enkele vondstgroep bevatte louter ongerookte pijpen, weggeworpen omdat zij misvormd waren of tot het breukgoed van de nijverheid behoorden. Kenmerkend bij dergelijke stortvondsten is dat we een beperkt modellengamma aantreffen terwijl al het materiaal op aantal wordt gevonden. Immers bij seriële productie is steeds sprake van uniform afval. Hiervan is ter plekke dus helaas niets teruggevonden. Wanneer we de pijpvondsten uit de 48 sporen vergelijken overheerst een beeld van beperkte variatie en weinig fantasie al dringen zich ook enkele uitzonderingen aan ons op. Zoals opgemerkt betreffen de vondsten in deze wijk overwegend gebruikte pijpen ofwel afval afkomstig uit de huishoudens ter plekke. Incidenteel is dit materiaal vermengd met wat tweede keus pijpen, waarvan overigens de meeste exemplaren gewoon gerookt zijn. Het zeventiende-eeuwse goed Deze grove kleipijp ontstaat kort voor 1630. Analoog aan de populariteit van het roosmerk op de hiel bij de beste kwaliteiten, plaatst men bij de grove pijp op de ketelzijde een gestileerde roos in reliëf, opgebouwd uit vijf of zes stippen rond een centrale stip. Soms zijn om de weergave van de roos te verduidelijken tussen de stippen streepjes geplaatst bij wijze van gestileerde kelkbladen. Van dergelijk goed, dat in de hele provincie Holland wordt gevonden, is de productieplaats dikwijls moeilijk aan te geven. Tot nu toe waren dergelijke pijpen alleen toe te schrijven wanneer een specifieke lokale ketelstijl te signaleren was. Het Goudse aandeel hierin werd tot voor kort minimaal gedacht. De vondsten aan het Bolwerk tonen echter aan dat Gouda in dit grove goed een geweldig marktaandeel moet hebben gehad. Aangezien dergelijke pijpen in een stad als Amsterdam buitengewoon populair waren, heb ik lang in de veronderstelling geleefd dat deze productielijn eerder in Amsterdam dan in Gouda thuishoorde. De vondsten aan het Bolwerk maken het dus noodzakelijk het beeld van de Goudse nijverheid tussen 1630 en 1660 drastisch te herzien. Naast de prachtig afgewerkte kwaliteitspijp die in de jaren 1620 ontstond, waren er in Gouda dus evengoed pijpenmakers die zich toelegden op de productie van grove eenvoudige pijpen. In korte tijd moet Gouda daarmee een aanzienlijk marktaandeel hebben verworven. Het roosmerk, in de twintigste eeuw wel aangeduid als Tudorroos, zal onveranderd zo’n vijftig jaar populair blijven om daarna geleidelijk te verdwijnen, al worden de laatste voorbeelden van dergelijke versieringen tot in de jaren 1730 gemaakt. De geweldige variatie aan modellen met de zijmerk roosjes van het Bolwerkterrein overziend, moet Gouda in de productie hiervan dus een zeer groot belang hebben gehad. Het lijkt er zelfs op dat deze productielijn belangrijker is geweest dan die van de fijne kwaliteit pijpen. Naast de pijpen met de reliëfroosjes neemt het aantal volledig onversierde grove pijpen in de loop van de decennia toe. Dat is niet verwonderlijk want het roosmerk, aanvankelijk bedoeld als kwaliteitsteken, raakte na 1640 uit de gratie. Bij het minderen van de vondsten met reliëfrozen vermeerdert het percentage onversierde grove pijpen en die beweging zet zich voort tot circa 1700. De bewoners van het Bolwerk bleven dus een voorkeur voor eenvoudige pijpen houden, de mode hierin veranderde echter geleidelijk. Helaas is het niet mogelijk de ontwikkeling van de beide grove soorten tot in de details te schetsen. Wat betreft de ongemerkte pijpen en die met een eenvoudig roosmerkje laat zich een uitgewerkte chronologie niet reconstrueren. De persvormen voor deze pijpen gaan één tot twee jaar mee en worden geregeld voor nagenoeg identieke vervangen. Daarnaast blijkt de grove pijp in zeer grote aantallen bij verschillende bedrijven in de maak waardoor een opeenvolging van persvormen zich niet laat achterhalen. Het belangrijkste is echter dat we geen idee hebben wie zich met de productie van dit materiaal bezig hielden. Gebeurde dit in de marge van de grotere bedrijven als aanvulling op hun assortiment of waren het vooral de kleinere werkplaatsen waar de grove soort als specialiteit werd gemaakt omdat men aan de betere kwaliteiten niet toe kwam. Gelukkig bieden de gemerkte kleipijpen betere mogelijkheden tot onderzoek. Deze kunnen scherper gedateerd worden. Daarnaast weten we over de bedrijven meer omdat een aantal makers bij naam bekend is en daarvan zelfs levensbeschrijvingen zijn gemaakt (noot 1). Zo kunnen we de pijpen toeschrijven en de vondsten in een chronologie plaatsen. Vervolgens is het mogelijk aan te geven welke producten in de wijk gangbaar waren en welke producten hier incidenteel verzeild raakten. Bij het gemerkte materiaal van het Bolwerk is het opvallend dat zowel de grote makers vertegenwoordigd zijn als de pijpen uit de kleine, onbekende werkplaatsen. Dat kleipijpen uit de mindere bedrijven overheersen is niet verwonderlijk. Hun verdienste was niet zo groot en daardoor was ook de prijs lager. Middels prijsconcurrentie probeerden de kleine ondernemers hun waar aan de man te brengen, terwijl de aanzienlijke bedrijven vooral voor vaste leveringen met een zekere omvang werkten. Zij konden hun producten gemakkelijker buiten Gouda wegzetten. Ongetwijfeld moet het gebruik van merkpijpen per milieu sterk verschild hebben. Dat is inherent aan de altijd wisselende smaak van de roker in persoon en diens bestedingsmogelijkheden. Ook de plaats van aanschaf is daarop van invloed, die weer in relatie staat met het leefpatroon, de vriendenkring en zelfs de religie van de betrokkenen. Kortom het is een grillig samenspel van factoren die nauwelijks reconstrueerbaar is. Bij kleinverbruik is bekend dat de meeste rokers hun pijpen in de wijk zelf hebben gekocht, dat zal ook in Gouda waar het aanbod groot was het geval zijn geweest. Kenmerkend voor dit gebied, gelegen aan de rand van de stad, is dat in deze wijk vooral de eenvoudige producten werden gebruikt. Dat levert opnieuw een interessant gegeven op: omdat niet het beste materiaal uit de grootste bedrijven werd gebruikt, maar juist de mindere pijpen bevinden zich daaronder tal van exemplaren afkomstig van kleinere werkplaatsen die niet zo succesvol bleken, slechts een kortere periode actief waren en waarvan het materiaal dus ook schaarser is. Het gaat om gemerkte producten die veelal niet op aantal verscheept zijn, maar in de eigen regio aftrek vonden. De vondst van onbekende merken levert nieuwe toeschrijvingen van pijpen aan Goudse makers op. Daarbij gaan we uit van het standpunt dat de productie in Gouda zo groot was dat er geen pijpen uit andere plaatsen werden aangevoerd. De maker op het merk wapen van Gouda - de vroegste eigenaar is helaas van naam onbekend - levert de vroegste kwaliteitspijp die in deze wijk algemeen werd gerookt. Deze pijpen zijn in verschillende sporen gevonden en moeten op dezelfde plek zijn aangeschaft. De keuze voor dit merkteken sluit aan bij de gedachte dat de consument juist een merk waardeert waarmee hij een bepaalde band had. Uiteraard was het Goudse wapen nergens meer populair dan in de stad Gouda zelf. De eigenaar van het merk maakte overigens een mooi verzorgd product dat ook naar andere delen van de Republiek werd verscheept. In latere jaren worden zijn producten verwisseld voor pijpen met een weifelend model dat tussen het gedrongen dubbelconische en de modernere slankere ketel ligt. Maker is Daniel Joosten die zowel merkte met zijn initialen DI op de hiel (afb. 1) als met een roosje (afb. 2). Dat laatste merk is heel eenvoudig vormgegeven met een centrale stip met eromheen zes stippelvormige blaadjes. Je zou kunnen zeggen dat de twee merken de overgang markeren tussen het populaire roosmerk dat tot 1630 regeert en het initiaalmerk dat daarna meer geliefd wordt. Uiteraard kan het gebruik van twee merken ook een marketingstrategie zijn. De goede kwaliteit van de pijpen van Daniel Joosten steken schril af bij de producten met het hielmerk GI (afb. 3), eveneens op het Bolwerk gerookt. Hier is het model inmiddels geïnspireerd op de slanke, dubbelconische ketel, maar hoewel modieus is het qua afwerking toch een prestatie die ver achter blijft bij de andere reeds besproken merkpijpen. Zo ontbreekt bijvoorbeeld de verglazing volledig. Van een andere kleine maker is een pijp gemerkt met de initialen HWR (afb. 8), ook van deze maker is niet bekend wie hij was. Dit model is atypisch en zouden wij nooit als Gouds aanmerken, ware het niet dat de onderhavige vondst een misbaksel betreft gemaakt van zogenaamde te korte klei waardoor direct achter de ketel een wonderlijk brokkelige breuk ontstond. De volgende stijl die in deze wijk populair wordt is de volwaardige fijne tot porceleijne lange Goudse. Het gaat om een product met een maximale verdienste zowel qua balans in het model als verfijning van de afwerking. Op de steel is dan het zwaartepunt met de lelies in ruiten populair, afgewisseld met een rondgaande radering. Bij het product met het merk PC (afb. 4) is nog sprake van losse steelstempels, bij de pijp met als merk hoorn met ster wordt van een stempel gebruik gemaakt waarmee vier lelies tegelijk kunnen worden gestempeld. Deze verandering laat de toenemende economisering in de pijpenmakerij zien; het zijn de eerste tekenen dat er op de productiehandelingen wordt beknibbeld. Dat door de rokers op het Bolwerk niet de mooiste producten werden gekozen, blijkt uit de vondst van een pijp met in de ketelwand een oneffenheid veroorzaakt door verontreiniging. Uiteindelijk veroorzaakten deze insluitsels een gat in de pijpenkop. Deze pijp moet van kort voor 1663 dateren, het merk posthoorn met ster werd bij de merkvergelijking en zuivering van dat jaar geroyeerd (noot 2). Naast deze besproken voorbeelden gebruikten de rokers in deze wijk nog talloze andere merken, zoals de II of II gekroond, HI, ADS en meer. Degelijke pijpen hebben dezelfde statuswaarde en ieder voorwerp kenmerkt zich op zijn eigen wijze door een bepaalde mode en stijl. Onder het rookgerei maakte het gemerkte goed een percentage uit wisselend van een paar tot circa dertig procent afhankelijk van het niveau van het milieu. Je zou kunnen zeggen dat het bij meer merkpijpen om rijkere rokers gaat, maar misschien is het juister deze lieden aan te duiden als personen met een grotere hang naar status. Tot de latere merken behoren de talloze lettercombinaties met drie of vier initialen. Vooral de merken met vier letters zijn kenmerkend voor een plaats waar het aantal zelfstandige bedrijven zo groot is dat er onvoldoende onderscheid is in slechts twee initialen. Verschillende exemplaren met vier letters werden gevonden en gemiddeld zelfs meer dan bij andere vondstlocaties in Nederland. Helaas daaronder geen nieuwe merken. De vierletterige merken verdwijnen wanneer tegen het jaar 1700 de hielen van de pijpen kleiner worden waardoor dit soort merken onleesbaar worden. Min of meer gelijktijdig introduceren de Goudse pijpenmakers het cijfermerk. De combinaties van drie letters blijven tot aan het eind van de negentiende eeuw in gebruik. Van deze lettercombinaties worden nog enkele nieuwe exemplaren afgebeeld (afb. 6-10). Zij zijn een dankbare toevoeging aan de reeds gepubliceerde merken en hoewel sommige van deze merken wel al bekend waren, kunnen zij nu pas met zekerheid aan Gouda worden toegeschreven. Het zoeken naar een passende maker leverde helaas geen resultaat op; het goochelen met namen bij deze lettercombinaties is een riskante zaak en toeschrijving is pas verantwoord wanneer ook de persoonsinformatie overeenstemt. De meest gezaghebbende lettermerken uit de latere tijd zijn de OA, IAK en de TIP. Zij stammen uit werkplaatsen met een grote productie en worden ook elders in Nederland bij hoeveelheden gevonden. Dat geldt vooral voor de pijpen van Thiel Jansz. Proost, die een buitengewoon succesvolle verkoop had. Het gaat opnieuw om luxe producten bestemd voor de rijkere roker. Tot het atypische rookgerei in deze wijk rekenen we een groengeglazuurde Jonaspijp, waarvan twee bij elkaar behorende steelfragmenten in verschillende putten werden aangetroffen. Deze vondstomstandigheid is tevens een bewijs dat er indertijd met het grondverzet meer verstoord is dan archeologen hopen. De late Goudse Jonaspijp is geen schoonheid, de ketel is tamelijk onvast van vorm en het graveerwerk is lineair, brokkelig en wat rommelig. Toch is dit product, geheel bedekt met glanzend transparant groen loodglazuur, een opmerkelijke rookpijp geweest omdat het lijnenspel onder de strakke glazuurhuid juist heel mooi uitkomt. Het moet duidelijk zijn dat dit een pijp is in de hoogste prijscategorie want na het vormen en bakken was een tweede ovengang voor het glazuren noodzakelijk. Een andere opmerkelijke vondst is een stuk steel van een presentatiepijp, een groot formaat pijp die voorzien is van met de hand ingesneden ringen die steeds met het radeermes zijn aangezet (afb. 11). Of een dergelijk object daar ter plekke is gemaakt of alleen in een werkplaats of pijpenwinkel te kijk heeft gehangen is helaas onduidelijk. De datering moet rond 1650 liggen en daarmee sluit dit fragment aan bij een reeks soortgelijke producten van grote en middelgrote Goudse makers. Andere curiositeiten in deze wijk zijn de pijpen met een zogenaamde draaisteel. Een gewone tabakspijp wordt rond de steel met mesjes ingesneden waardoor aantrekkelijke torderingen ontstaan die met raderingslijnen worden afgezet. In enkele gevallen worden deze velden zelfs afgewisseld met ingedrukte merkstempels zoals het geval is bij een steel met het merk Bacchus op het vat. De decoratie ontstaat tegen het jaar 1700 en blijft in gebruik totdat rond 1740 de stelen van de pijpen voor dergelijke insnijdingen te dun worden. Op die wijze opgesmukte pijpen werden door de zichzelf respecterende pijpenmakers aan een gros gewone pijpen toegevoegd bij wijze van geschenk. De consument gebruikte deze bijzondere pijpen bij een speciale gelegenheid, waarvan het huwelijk het meest geëigende feest was. Het gegeven dat meerdere draaistelen gevonden zijn, plaatst dit gebruik eerder in het eenvoudige milieu dan onder de rijken. De latere vondsten Uit de negentiende eeuw zijn overwegend gerookte pijpen gevonden, die er opnieuw op wijzen dat zo nu en dan wel pijpen werden weggegooid en in de grond raakten, maar dat er geen sprake was van het storten van breuk- of misbakselmateriaal. De ovale koppen zijn overwegend uit de grotere fabrieken afkomstig en zij bewijzen dat in de negentiende eeuw zelfs in Gouda de rokers uit pijpen met de meer algemene merken rookten. Opmerkelijk in deze categorie zijn twee versierde pijpen. De eerste is een pijp met de afbeelding van Mercurius en Neptunes gemaakt door Maarten Heerkens, die zijn naam op de keerzijde van de ketel in reliëf achterliet. In de negentiende eeuw werden deze pijpen als geschenkartikel bij een gros pijpen gegeven, zoals de draaistelen anderhalve eeuw eerder. In de detailhandel werden dergelijke versierde pijpen aan iedere klant voor een hogere prijs verkocht. Een andere opmerkelijke pijp behoort tot de categorie spreukpijpen en vermeldt als opschrift “ONS GENOEGEN”. Vooral deze pijp werd in de burgerlijke kringen gerookt; verder waren zij ook als sociëteitspijp populair. Eén uitzondering op het gevonden gebruiksgoed maakt de vondst van pijpenkoppen van de Goudse pijpenmaker Pieter Sibbes of zijn weduwe. Van dit bedrijf is een reeks ongerookte pijpenkoppen gevonden, die echter geen sporen van productiefouten vertonen. Zij vertellen ons dus weinig nieuws over het betreffende bedrijf. Sterker nog, het gaat vermoedelijk om breukmateriaal zodat het zelfs zou kunnen zijn dat Sibbes op die plaats geen werkplaats maar een pakhuis had en er wat gesneuvelde pijpen in de grond terecht zijn gekomen. Conclusie Toch zijn de vondsten van het Bolwerk niet onbelangrijk. Voor het eerst in de geschiedenis van de Goudse archeologie kan er gekeken worden naar het rookgedrag van de bewoners in een begrensde wijk en dat levert een ander beeld op dan verwacht. Het is zeker niet zo dat rokers in Gouda zich automatisch bedienden van de mooiste producten, omdat zij de ultieme smaak kenden en omdat zij die producten binnen hun eigen stadsgrenzen produceerden. Eerder blijkt het tegendeel het geval te zijn. In deze wat acentrisch gelegen wijk rookte men het gewoonste en zelfs ondermaatse materiaal. Sterker nog, men koos dikwijls voor met glazuur verontreinigde pijpen of exemplaren met kromme stelen of lichte verkleuringen. Het exclusieve product bleef er onberoerd, dat bleef voor verscheping gereserveerd. De keuze van de rokers hier bracht voor ons toch enkele nieuwe conclusies. Zo blijkt uit het grote aantal grove pijpen met het roosmerk in reliëf en de doorgaans wat latere gladde pijpen zonder merk of versiering dat deze alom werden benut. Hiervan kon tevens worden vastgesteld dat deze in Gouda tot ongeveer 1670 een belangrijk productiesegment uitmaakt. Dat gegeven stelt de Goudse nijverheid in een ander daglicht. Naast de productie van hoogwaardig goed moet een bijna even grote aanmaak van grove pijpen hebben bestaan. Het inventariseren van de merken op de betere kwaliteiten pijpen en het vinden van nieuwe exemplaren draagt bij aan de completering van onze kennis. Tenslotte is het registreren van atypische pijpen, hoe schaars deze ook voorkomen, een verfijning van het beeld dat wij van de rokers en hun keuze voor de pijp hebben. Wel beschouwd is deze onverwachte uitkomst van de vondsten van het Bolwerk misschien niet zo verwonderlijk, wanneer we de volgende vergelijking maken. Wie de kwaliteit van het Delfts aardewerk vanuit het Rijksmuseum kent en dit vervolgens vergelijkt met de vondsten van hetzelfde aardewerk uit de Delftse binnenstad, zal verbaasd zijn en misschien ook wel teleurgesteld. Waar het Delfts aardewerk in ons nationale kunstmuseum op de faience afdeling de eerste viool speelt met fijn beschilderde plaquettes en uitbundige tulpenvazen, getuigen de scherven uit de Delftse bodem overwegend van massagoed in grote series waarbij de gebruiksfunctie boven de pronkwaarde gaat. De vondsten aan het Bolwerk in Gouda leveren dus hetzelfde onverwachte maar verklaarbare beeld op. De Goudse kleipijp staat mondiaal bekend om zijn de hoogwaardige kwaliteit gekenmerkt door een prachtig vormgegeven pijpenkop, een elegante overgang naar de steel gevormd door een perfect afgewogen hiel of spoor die continueert in een ragfijne rechte steel dunner dan wat mogelijk lijkt. Welnu, de vondsten aan het Bolwerk stemmen daar absoluut niet mee overeen. Hier domineert eenvoudig materiaal dat qua aard eerder uit kleine productiecentra zou stammen dan uit het toonaangevende Gouda. In deze wijk blijft de hoogste prestatie een uitzondering want de Gouwenaar rookt zelf de afdankertjes uit zijn beroemde nijverheid. © D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2009. Afbeeldingen 1. Tabakspijp met dubbelconische ketel (basismodel 1), hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk stippelroos. Gouda, Daniel Joosten, 1640-1645. 2. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd, zwaartepunt lelies met ruiten. Hielmerk DI met twee sterren. Gouda, Daniel Joosten, 1640-1645. 3. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Hielmerk GI. Gouda, 1635-1645. 4. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Steel zwaartepunt lelies in ruiten afgewisseld met raderingen. Hielmerk PC met twee sterren. Gouda, 1650-1665. 5. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Steel zwaartepunt lelies in ruiten afgewisseld met raderingen. Hielmerk hoorn met ster. Gouda, 1655-1663. 6. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk IFR. Gouda, 1655-1670. 7. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Halfgeglaasd. Hielmerk IDW. Gouda, 1660-1675. 8. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Hielmerk HWR. Gouda, 1660-1675. 9. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Hielmerk IAS. Gouda, 1665-1685. 10. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Hielmerk CID. Gouda, 1670-1685. 11. Steel van een grote tabakspijp met ingesneden ringen aangezet met rondgaande raderingen. Gouda, 1650-1675. 12. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Ketelovergang naar steel aanbaksel met geelgetinte glazuur, de ketelwand verkleurd. Gouda, 1660-1680. 13. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Ketel grotendeels bedekt met geelgetinte glazuur waarop enkele aanbaksels, het rode bakpuntje bewijst dat de pijpenpot van roodbakkende klei was. Gouda, 1650-1670. 14. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Ongeglaasd. Misbaksel, de ketel bedekt met een geelgroen getinte glazuur waaraan stukken van de omringende pijpen zijn vastgebakken. Gouda, 1655-1675. 15. Kleirolletjes met de hand gevormd en gebruikt als baksteun bij het bakken van de pijpen. Gouda, 1650-1675. Noten 1. Don Duco, Biografische gegevens van pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 1976 e.v. 2. Don Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003, p 18. |
||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
![]() |
|||||||
|
Pijpenkabinet - nationaal museum met de internationale collectie
© copyright Pijpenkabinet, Amsterdam |
|||||||