artikel

Pijpvondsten aan de Wijnhaven in Rotterdam

Door Don Duco

Aan de Wijnhaven in Rotterdam werd in 2007 op een terrein gegraven waar in het midden van de zeventiende eeuw een scheepswerf heeft gestaan. Daarna is het terrein bebouwd en bewoond. Het totale aantal vondsten aan kleipijpen bestaat uit 657 fragmenten. Deze zijn onder te verdelen in 276 pijpenkoppen en 381 stelen. De datering hiervan omspant de periode tussen 1615 en 1830. De vroegste pijp is afkomstig uit een ophogings- of stortlaag en dateert van voor de bebouwing. Het gaat hierbij overigens slechts om één fragment. Uit de periode van de aanleg, het gebruik en de buitengebruikstelling van de hier gevestigde scheepswerf is ook slechts één pijpfragment gevonden. De bulk van het vondstmateriaal stamt uit de tijd dat de Wijnhaven bewoond was en is afkomstig uit vier beerputten. De vondsten uit drie van deze putten zijn niet noemenswaardig, hierin zijn slechts enkele pijpfragmenten aangetroffen die geen onderlinge samenhang vertonen. Alleen de grootste beerput geeft een nader beeld van het roken en het gebruik van pijpen op deze locatie.

De vroegste vondst
De oudste vondst betreft het fragment van een pijpenkop die is voorzien van het hielmerk ‘IS’ als zogenaamd incusiemerk. De initialen verwijzen naar de Rotterdamse pijpenmaker en tabakshandelaar John (Jan) Schepper(t) (afb. 2). Deze van oorsprong Engelse handelaar en zakenman vestigde zich in de jaren 1610 in Rotterdam. Hij blijkt al snel succesvol in de tabakshandel te zijn geweest. In het archief van de Weeskamer bevindt zich een akte opgemaakt in 1622 kort na zijn overlijden waarin talloze leveringen van tabak en pijpen naar werkelijk alle windstreken worden opgesomd. Het is overigens zeer de vraag of John Scheppert zelf de maker van deze pijp is. Het is meer waarschijnlijk dat hij deze producten op bestelling door één of meer lokale pijpenmaker(s) liet maken en deze van zijn eigen initialen liet voorzien. De tabaksnering wordt na zijn overlijden door zijn zoon voortgezet, die heel verwarrend eveneens Jan Scheppert heet. Het lijkt er echter op dat de familie Scheppert zich na 1622 niet meer met de pijpenhandel bezig hield. Waarschijnlijk werd hun nering door lokaal werkende pijpenmakers of kooplieden overgenomen. Van Scheppert junior is alleen bekend dat hij in tabak handelde.

De beerputten
Het geringe aantal pijpen in drie van de onderzochte beerputten, zou erop kunnen wijzen dat het roken geen rol van betekenis speelde, alhoewel er in die putten ook weinig andere vondsten zijn aangetroffen. De schaarse pijpfragmenten vertonen geen specifiek patroon van smaak of gebruik. Overigens is de verklaring van het geringe aantal vondsten waarschijnlijk eerder te wijten aan het rigoureus legen van deze beerputten dan aan de leefgewoonten van de vroegere gebruikers. Onverwacht is wel de vondst van een kromkop in één van deze putten (afb. 3). Het betreft een vormsoort van Goudse makelij die eerder voor export bestemd was, dan voor gebruik op Hollandse bodem. In een havenplaats als Rotterdam is een dergelijke vondst overigens minder verwonderlijk aangezien het aanbod aan pijpen er doorgaans gevarieerder was.

Beerput 3 staat in groot contrast met de drie andere putten. In deze ene put zijn in totaal 275 pijpfragmenten gevonden waaronder 182 pijpenkoppen (noot 1). Het gaat om overwegend eenvoudige pijpen, waarvan er veel geen hielmerk dragen. De uiterlijke verschillen van het materiaal wijzen er echter wel op dat de pijpen uit een langere periode van gebruik stammen: nagenoeg alle producten komen uit een andere persvorm en het gaat om materiaal van veel verschillende makers. Wie de modellen goed bestudeert, vindt tussen de Hollandse exemplaren een enkele vreemde eend in de bijt. Zo is er een pijp waarvan het ketelmodel wijst op Engelse oorsprong (afb. 4). Engelse kleipijpen worden op het Europese vasteland slechts zelden aangetroffen en wanneer dat het geval is, dan betreft het doorgaans vondsten in en rond een haven. Overigens is hier geen sprake van scheepslading geweest, maar van een pijp die tussen de lippen van de zeevarenden in onze streken is beland.

Tot de vroegste en opmerkelijkste pijpen behoort een exemplaar met een reliëfsteel in de trant van de barokpijpen (afb. 5). Overlangs zijn tweezijdig tussen enkele concentrische ringen gestileerde symmetrisch geordende bladertakken aangebracht. De weinig afgewogen ketelvorm en ook de wat brokkelige lijnvoering van de decoratie wijzen er op dat het een lokaal product betreft. Dergelijke pijpen behoorden tot de betere grove kwaliteitscategorie en zijn doorgaans niet van een merk voorzien. Zij dateren uit de periode 1640-1650.

Daarnaast zijn enkele pijpen geborgen met het voor Rotterdam zo kenmerkende merkteken bestaande uit een eenvoudige radering die op de hiel is gedrukt. Een dergelijk merkteken werd door de tremster aangebracht die daarvoor hetzelfde radeermes gebruikte dat ook voor de ketelopening dienst deed. Tijdens het werk hoefden zij dus niet van stempel te wisselen. Snel en efficiënt aangebracht, heeft een dergelijk semi-merkteken toch maar een beperkte advertentiewaarde. Volledig in de stijl van de Goudse merken zijn pijpen op de hiel gemerkt met een bloem voorzien van de initialen ‘DK’ (afb. 6). Ook dit merkteken, dat voorkomt op een betere Rotterdamse kopie van een Goudse pijp, is nog niet geïdentificeerd.

De bulk van het materiaal stamt uit de periode 1680-1700. Het gaat opnieuw om grove pijpen doorgaans zonder hielmerk en als er al een versiering voorkomt dan is dat hoogstens een gestileerd roosmotief in reliëf op de ketel. Naast deze grove exemplaren zijn er enkele pijpen gevonden die tot de betere kwaliteit behoren, zij het in de lagere kwaliteitsregionen. Deze dragen wel een hielmerk. Onder de gevonden merken vinden we een staand vrouwtje, de haan en het lettermerk ‘HS’ (afb. 7).

Na het jaar 1700 neemt de kwaliteit van de pijpen duidelijk weer toe. Dat heeft vermoedelijk minder met een toenemende welstand te maken. De oorzaak ligt eerder in de algemene verfijning van het rookgerei in die periode. We zien in deze periode merken van wat bekendere en meer gerenommeerde makers. Naast hielmerken wordt ook uit een enkele pijp met een zijmerk gerookt. Zelfs een schaars versierde kop behoort soms tot het rookgerei. Een voorbeeld hiervan is een pijpenkop met een staande gekroonde koning met lange mantel op de ene zijde en een tabaksmannetje op de andere zijde (afb. 8). De laatste figuur lijkt gegraveerd naar een contemporaine tabaksreclame (noot 2).

Uit het tijdvak na 1725 zijn geen pijpen aangetroffen. Het vroegste materiaal uit de hierop volgende periode stamt pas uit het tijdvak 1770-1810. Uiteraard kan dit hiaat veroorzaakt zijn door het grondig legen van de beerput, terwijl het roken in het huishouden gewoon doorging. Bij deze latere vondsten gaat het opnieuw om twee kwaliteiten die naast elkaar voorkomen. De grove Hollandse pijpen, dan aangeduid met de term ‘boerenpijpen’ (afb. 9), worden gebruikt naast de kenmerkende Goudse pijpen met een geglaasde ovaalvormige kop. In die periode wordt bij de bewoners van de Wijnhaven de grove pijp dan wel minder belangrijk, terwijl het opvalt dat goed geglaasde ketels uit de tijd 1770 tot 1800 frequenter voorkomen. De producten van Jacobus en Pieter Stomman, voorname Goudse makers met een gevestigd merkteken domineren daarbij. Daarnaast komen ook enkele andere, minder vermaarde Goudse merken voor.

Overige vondsten
Onverwacht is de vondst van zes krulstaafjes van pijpaarde die zijn gebruikt bij het opmaken van pruiken (afb. 10). Ook deze vondsten kwamen uit beerput 3 (spoor 37) tevoorschijn. Dergelijke voorwerpen zijn zowel in Engeland als de Nederlanden geproduceerd en in gebruik geweest. Ze bestaan in verschillende formaten en daarvan zijn ook voorbeelden teruggevonden. Tussen de in Engeland gebruikte staafjes en die van Nederlandse origine zit een belangrijk verschil. In tegenstelling tot de Hollandse exemplaren met afgeronde einden hebben de Engelse licht afgeplatte uiteinden, waarop niet zelden een makersmerk is gestempeld. Deze importwaar is voorzien van de initiaalmerken IB en WB gekroond. Hun datering ligt tussen 1720 en 1800 (noot 3).

Tenslotte is er ook nog een fragment van een pijpaarden beeldje uit de beerput tevoorschijn gekomen (afb. 11). Het gaat om een eenvoudig zittend figuurtje dat in een tweedelige drukmal is gemaakt. Door intensief gebruik van deze eenvoudige vorm was het reliëf ervan al fors gesleten zodat het voorwerp een verzeept uiterlijk heeft gekregen. Ook hier dus geen luxe product, maar een armoedig hebbedingetje. Onduidelijk is, of het om kinderspeelgoed gaat of om een goedkope decoratie in huis. Veel van dit materiaal wordt aan pijpenmakerijen toegedicht, doch dat is niet juist. De meeste beeldjes zijn gemaakt door ambachtslieden die niet in staat waren een fatsoenlijke pijp te persen – hetgeen nogal wat handvaardigheid vraagt – maar konden dergelijke simpele beeldjes wel met behulp van een eenvoudig drukvormpje maken.

Conclusies
Alleen over de kleipijpen afkomstig uit beerput 3 (spoor 37) kunnen we uitspraken doen over de eigenaren ofwel de vroegere rokers van het materiaal. In de eerste gebruiksperiode was er de gebruikelijke gevarieerde keuze aan rookgerei. Verval zet in rond 1670 en dit duurde ongeveer een generatie. In die periode gebruikt men dus, enkele uitzonderingen daargelaten, ronduit armoedig materiaal. In de 18e eeuw is de keuze meer gemengd, terwijl het betere goed geleidelijk in aantal toeneemt. Dat geldt zowel voor het eerste kwart van de 18e eeuw als voor het latere materiaal.

Helaas blijkt het niet altijd mogelijk om een scherpe datering te geven, vooral omdat het overwegend eenvoudige pijpen betreft. Duidelijk daarbij is dat onze kennis nog veel leemtes vertoont, vooral voor wat het lokaal gemaakte product. Dit materiaal is vaak ongemerkt en als er al een merk is gestempeld dan is dat doorgaans niet thuis te brengen. Hetzelfde geldt voor de zijmerken met initialen uit lokale werkplaatsen uit het laatst van de achttiende eeuw, waarbij de makers ook vaak onbekend blijven ondanks de mogelijkheid met de initialen van de merken en de namen van de makers te goochelen.

Het marktaanbod aan pijpen in Rotterdam is betrekkelijk goed bekend. Conform de mode van die tijd is aan de Wijnhaven hiervan geen representatief materiaal gevonden. Wat ontbreekt zijn bijvoorbeeld de betere producten van lieden als Robert Bon en Hendrick Jansz., twee bekende Rotterdamse pijpenmakers, die tot 1660 actief waren. We mogen veronderstellen dat die producten voor de bewoners voor dit deel van de Wijnhaven te luxe en dus te duur waren. In de latere tijd ontbreken de merken van gerenommeerde Goudse huizen, de pijpen van vader en zoon Stomman uitgezonderd. Een en ander plaatst de bewoners van deze huizen in de categorie eenvoudige luiden.

© D.H. Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2008.

Afbeeldingen

1. De opmerkelijkste kleipijpen uit de Wijnhavenvondst.

2. Reconstructie van een tabakspijp met op hiel incusie merk IS. Rotterdam, John (Jan) Schepper(t), 1615-1620.

3. Tabakspijp met kromkop ketel, hiel en rechte steel. Gouda, 1740-1770.

4. Tabakspijp met Engels model, zogenaamde straight-sided, Londen ?, 1660-1680.

5. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Rond de steel in reliëf tweezijdig een symmetrische geordende vegetatieve rank met bladeren geplaatst tussen concentrische ringen. Rotterdam, 1640-1650.

6. Tabakspijp met slanke dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk bloem met initialen DK. Steel zwaartepunt ruiten met lelies gevuld. Randstad, 1650-1670.

7. Tabakspijp met trechtervormige ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk HS. Gouda, 1700-1730.

8. Tabakspijp met in reliëf versierde ketel met een staande koning in koningsmantel en een Moriaan met tabaksrol en pijp. Gouda, 1710-1725.

9. Tabakspijp met ovale ketel, zogenaamde boerenpijp met merk N gekroond waarboven de initialen IGN van de maker. Zuid-Holland, 1760-1800.

10. Pijpaarden pijpenkrullers, de kopse zijde gemerkt met WB en IB. Engeland en Nederland, 1700-1800.

11. Pijpaarden beeldje voorstellend een staand vrouwtje. Holland, 1730-1800.

Noten

1. De vondstnummers 42, 59, 61.

2. André-Paul Bastien, La pipe, Paris, 1972, (s.p.), introduction.

3. Richard le Cheminant, ‘The Development of the Pipeclay Hair Curler, a Preliminary Study’, London Archaeologist, Summer 1978, p 187 e.v.

1. De opmerkelijkste kleipijpen uit de Wijnhavengroep.
2. Reconstructie van een tabakspijp met op hiel incusie merk IS. Rotterdam, John (Jan) Schepper(t), 1615-1620.
3. Tabakspijp met kromkop ketel, hiel en rechte steel. Gouda, 1740-1770.
4. Tabakspijp met Engels model, zogenaamde straight-sided, Londen ?, 1660-1680.
5. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Rond de steel in reliëf tweezijdig een symmetrische geordende vegetatieve rank met bladeren geplaatst tussen concentrische ringen. Rotterdam, 1640-1650.
5. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Rond de steel in reliëf tweezijdig een symmetrische geordende vegetatieve rank met bladeren geplaatst tussen concentrische ringen. Rotterdam, 1640-1650.
6. Tabakspijp met slanke dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk bloem met initialen DK. Steel zwaartepunt ruiten met lelies gevuld. Randstad, 1650-1670.
6. Zwaartepuntstempel van de tabakspijp met slanke dubbelconische ketel. Randstad, 1650-1670.
6. Hielmerk bloem met initialen DK. Randstad, 1650-1670.
7. Tabakspijp met trechtervormige ketel, hiel en rechte steel. Hielmerk HS. Gouda, 1700-1730
8. Tabakspijp met in reliëf versierde ketel met een Moriaan met tabaksrol en pijp. Gouda, 1710-1725.
8. Tabakspijp met in reliëf versierde ketel met een staande koning in koningsmantel. Gouda, 1710-1725.
9. Tabakspijp met ovale ketel, zogenaamde boerenpijp met merk N gekroond waarboven de initialen IGN van de maker. Zuid-Holland, 1760-1800.
10. Pijpaarden pijpenkrullers, de kopse zijde gemerkt met WB en IB. Engeland en Nederland, 1700-1800.
10. Pijpaarden pijpenkruller, de kopse zijde gemerkt met wB. Engeland, 1700-1800.
10. Pijpaarden pijpenkruller, de kopse zijde gemerkt met WB. Engeland, 1700-1800.
10. Pijpaarden pijpenkruller, de kopse zijde gemerkt met IB. Engeland, 1700-1800.
11. Pijpaarden beeldje voorstellend een staand vrouwtje. Holland, 1730-1800.

< back
<< home

Pijpenkabinet - nationaal museum met de internationale collectie
© copyright Pijpenkabinet, Amsterdam

klik hier voor
adres