Over smaak valt niet te twistenDoor Don Duco In het voorjaar van 2007 werden voor de referentiecollectie van het Pijpenkabinet twee vondstgroepen pijpen aangekocht die min of meer uit dezelfde tijd stammen maar sterk verschillend zijn. De eerste groep betreft materiaal uit een stortlaag op een terrein achter de lintbebouwing in Westeinde, een buurdorp van Enkhuizen richting Bovenkarspel. Uit een slootvulling of aanplemping kwamen naast majolicascherven en enig gebruiksaardewerk een fors aantal kleipijpen tevoorschijn. Het materiaal is door de lokale bewoners over een periode van bijna dertig jaar weggegooid. De vroegste stukken dateren van rond 1610, het merendeel stamt uit de jaren 1620 en 1630. De tweede groep is afkomstig uit een beerput in Vlissingen en betreft eveneens pijpen die ter plekke zijn gerookt. Het weggeworpen materiaal is van slechts één huisgezin afkomstig en loopt over een veel kortere tijdsspanne, van rond 1630 tot niet lang na 1640. Het aantal pijpen uit Vlissingen is beperkter, het betreft slechts een tiende van het Noord-Hollandse materiaal. Interessant zijn de overeenkomsten en vooral de verschillen van het gevondene. Aangezien het in beide gevallen om stortmateriaal uit dezelfde periode gaat, is het interessant te kijken in hoeverre de twee vondstgroepen vergelijkbaar zijn. In eerste opzicht blijkt er al sprake van aanzienlijke verschillen, in feite zelfs twee smaakpatronen met grote contrasten. Het gegeven dat de beide vondsten voor Nederlandse begrippen geografisch ver uit elkaar liggen, is een van de verklaringen voor dit verschil. De stortlaag uit Westeinde Het relatief grote aantal pijpenkoppen en de betrekkelijk nauwe tijdsspanne maakt het mogelijk het gebruik van de kleipijp op deze locatie nader te duiden. Wanneer we de modellen in chronologische volgorde leggen, dan krijgen we een beeld van het gebruikte goed over de gemelde periode, inclusief de beeldverschuiving in het pijpmateriaal van de zeventiende eeuwse lokale roker over ongeveer een generatie. Naast de gebruikelijke veranderingen als toename in grootte van de ketel en verbetering van de afwerking van de pijp, kunnen we ook de uitbreiding in het marktaanbod vaststellen. Om dit alles te onderkennen, moeten we details als het ketelmodel, de toegepaste afwerkingen, de merken en de decoraties zorgvuldig bestuderen en vergelijken. Het oudste materiaal behoort tot de categorie eerste-generatie pijpen. Het meest kenmerkend daarbij zijn de pijpen met een snijfilt (afb. 1-3), die tot de vroegste rookpijpen uit die streek behoren. Zij moeten rond 1610 zijn gebruikt. Bij de ongemerkte producten is vooral de oneffen persvorm typerend, een aanwijzing dat de techniek van het pijpenmaken in die tijd nog weinig ontwikkeld was (afb. 1). Al gauw verbetert deze zich en wordt het model zuiverder en strakker en gaat men de pijpen van een merkteken voorzien. De vroegste merken zijn de zogenaamde incusiemerken, waarbij de initialen van de maker of een uitbeelding verdiept in de hiel zijn gedrukt. Gangbaar in deze streek is het merk zespuntige ster (13 exemplaren, afb. 2). Een variant vertoont het merk IR met bladmotiefjes (1 ex., afb. 3). Het pijpmodel met de snijfilt ontwikkelt zich al snel tot een nieuwe vorm, eerst met een lip rond de ketel, later met een filtradering. Deze overgangsmodellen zijn beperkt gevonden en laten de merken kruis (afb. 4) en lelie (afb. 5) zien. De productieplaats is helaas onbekend, maar het lijkt hier om regionale kleipijpen te gaan, waarbij de scheiding tussen de werkplaatsen in Enkhuizen en in Hoorn vooralsnog niet te maken is. Naast de pijpen met de snijfilt was gelijktijdig een soortgelijk pijpmodel in gebruik, dat wel rond de ketelopening met een botter was afgewerkt, al dan niet voorzien van een radering (afb. 6). Gezien de teruggevonden aantallen was dit product beduidend gangbaarder (180 exemplaren waarvan 47 zonder radering) en ook zij stammen uit een nog onbekende lokale werkplaats. Vanwege de lichte variatie in ketelstijlen moeten deze pijpen over zo’n vijftien jaar in productie zijn geweest. De minimale verschillen in de vorm van de pijpenkop laten nauwelijks enige evolutie zien en een chronologie is in deze modellen daarom moeilijk aan te brengen. Al deze producten zijn ongemerkt. Pas rond 1625 wordt het aanbod aan kleipijpen gevarieerder. Het roken is ingeburgerd en de tabakspijp is gemeengoed geworden, het aantal werkplaatsen is toegenomen en de techniek is gestandaardiseerd. Gelijktijdig verbetert de afwerking. Dat heeft primair te maken met de algemene ontwikkelingen in de pijpennijverheid, maar kan ook samenhangen met de welstand van de rokers op deze plek. Overigens sluit dat beeld aan bij andere vondstlocaties waar de Hollandse dubbelconische pijpenkop (basismodel 1) ook gaat overheersen en de kwaliteit van het product eveneens geleidelijk toeneemt. Typerend voor de vondsten in Westeinde is, dat het binnen deze categorie vrijwel zonder uitzondering gaat om een lokaal fabricaat, afkomstig uit Enkhuizen of Hoorn. Geleidelijk gaan deze kleipijpen zich kenmerken door een sterk dubbelconische ketel die verder nergens in Nederland is gemaakt. Ook van deze pijpen is het merendeel ongemerkt (96 ex.). Op die lokale bi-conische vormsoort komen ook merken voor. Het meest algemene hielmerk op deze specifieke ketels laat een klein compact roosje zien met zes stippelvormige blaadjes dat bij grote aantallen is gevonden (154 ex., afb. 7). Dit product ontwikkelt zich van een zwaardere, wat vormeloze ketel tot de kenmerkende bi-conische pijp en de eerste exemplaren moeten rond 1620 zijn ontstaan en zij blijven zo’n tien jaar in gebruik. Verder treffen we een klein aantal andere roosmerken aan, soms van een kroon voorzien (afb. 8), in andere gevallen met een dubbele krans bloemblaadjes. Bij één van deze exemplaren is de steel met lelies in ruiten bestempeld, met een toegevoegde ingesneden decoratie waardoor een aantrekkelijk ritme ontstond (afb. 9). Deze decoratie is kenmerkend voor West-Friesland. Naast roosmerken komen andere tekens in gebruik. Lokaal een geliefd figuurmerk is de hand in contour met een gat in de palm (afb. 10). Ook bij deze pijp zien we detailverschillen die er op wijzen dat we met een productie over enkele jaren van doen hebben: de vorm van de ketel verandert iets terwijl de intensiteit van de radering door de tijd afneemt. Rond 1630 verschijnt een nieuw merk op de markt, dat in deze streek zeer populair zal worden. Het is het initiaalmerk van Jacob Pietersen, die de IP gekroond plaatst (47 ex., afb. 11). Inmiddels is het pijpmodel forser van formaat geworden, maar de kenmerkende locale bi-conische vorm is gebleven. Voor de jaren 1630 worden de IP-pijpen in deze streek het meest typerend en in de regio West-Friesland wordt deze sterk bi-conische ketel het gangbare pijpmodel, zij het dat de merktekens kunnen verschillen. Eveneens kenmerkend voor de streek is het voorkomen van een punt tussen de initialen van deze merken. Uit de jaren 1630 zijn in totaal zo’n twintig pijpenmerken gevonden in een sterk verschillende verhouding maar steeds bij kleine aantallen. Zoals ook elders in het land verschuift de belangstelling van het roosmerk naar initiaalmerken die qua onderscheid duidelijker zijn dan de roosmerken, tenminste wanneer de klant geen analfabeet was. De meeste merken zijn West-Fries van herkomst, daarnaast kan een enkel merk aan een Amsterdamse pijpenmakerij worden toegeschreven. Opnieuw domineert hier dus de regionale productie met eigen modekenmerken en slechts zeer incidenteel komen producten uit andere gebieden voor. Het lijkt er op dat deze eenlingen eerder door passanten zijn aangevoerd, dan dat zij tot het reguliere marktaanbod behoorden. Helaas zijn ook bij deze merkpijpen de werkplaatsen niet nawijsbaar. Opvallend en onverwacht aan de pijpen uit de slootvulling is het aantal reliëfpijpen. Terwijl in West-Nederland dit percentage doorgaans ruim onder de één procent ligt, is hier bijna drie procent van de gevonden pijpen voorzien van een decoratie. Ook hier gaat het om een wisselend aanbod en percentueel ligt die variatie gelijk aan die bij de gewone pijpen. Het versierde goed dateert zonder uitzondering uit de jaren 1630 en dat is niet verwonderlijk, want dat is de eerste bloeiperiode voor de reliëfpijp. Van Amsterdamse origine is een pijp met renaissance decoratie waarbij rond de ketel zes maskerkopjes zijn aangebracht, geplaatst tussen concentrische banden met bladmotiefjes en ander ornamentwerk (afb. 12). Ook de steel van deze pijp is druk versierd en is met enkele omgaande banden in perken verdeeld. Bij de ketel toont deze steel op een tekstlint de signatuur van de maker “EVERT FRANC” en het opschrift “ANNO 1633”. Van deze pijp zijn twee fragmenten gevonden, die duidelijk laten zien hoezeer de persvorm geleidelijk afgereden raakte totdat het product zijn kracht volledig had verloren. Een tweede reliëfpijp, tot nu toe nog ongepubliceerd, is ook door de Amsterdamse pijpenmaker Evert Franck bedacht en draagt alleen aan de steel een reliëfversiering (afb. 13). De decoratie is barokker van aard en bestaat uit tweezijdig gestileerde roosjes en bladmotiefjes die symmetrisch geordend zijn. Aan de ketelzijde is deze decoratie afgesloten met een rondgaande band aan weerszijden afgezet met vier lofjes en centraal hierin is links het jaartal “1633” aangebracht en rechts de initialen “EF”. Aan de zijde van het mondstuk eindigt de decoratie niet zo expliciet met een rondgaande verdikte band maar met geleidelijk vervagende geometrische motieven. In de decoratie is dus heel subtiel van een verjonging naar het mondstuk sprake. Een derde reliëfpijp vertoont sterker Goudse kenmerken (afb. 14). Dit product heeft aan de ketelbasis vier lofvormige gestileerde bladeren en hier is de steel het meest interessant. Opnieuw is deze in perken opgedeeld en weer is van een verjongende decoratie sprake: het eerste stuk toont een tamelijk expliciet gegraveerde bloeiende lelie met er omheen enkele bloemknoppen, het tweede perk is gevuld met fijnere bloemmotieven en oogt beduidend subtieler. Het is onduidelijk waar de persvorm voor deze pijp is gegraveerd, maar dat zou heel goed in Gouda geweest kunnen zijn. De pijpenmaker signeerde de pijp op de steel in reliëf met zijn naam: “IACOB PIETERSEN”. Er is geen twijfel mogelijk, het gaat om een product uit het bedrijf van de reeds gemelde lokale pijpenmaker. Naast dit versierde materiaal zijn nog enkele fragmenten van pijpen met een bloemen- of bladerrank gevonden, vermoedelijk van Amsterdamse of Goudse origine. Onduidelijk is of deze varia pijpen door venters vanuit Amsterdam in West-Friesland werden aangeboden, of dat dit langs bestaande handelskanalen gebeurde. Uit eerder archeologisch onderzoek is bekend dat de Jonaspijp de meest kenmerkende decoratie is voor reliëfpijpen uit West-Friesland. Ook in de vondst uit Westeinde komt deze voor en wel met negen exemplaren. De vroegste West-Friese uitvoering stamt uit circa 1630 en was tot nu toe onbekend (afb. 15). Qua decoratie lijkt deze pijp nog sterk op de Amsterdamse Jonaspijp, wat mede bewijst dat de Jonaspijp niet in de Zuiderzeeplaatsen is bedacht, hetgeen wel is beweerd. De graveerstijl van dit vroege product wijkt iets af van de Amsterdamse voorbeelden, vooral het haar is naturalistisch uitgewerkt en laat korte lokken zien. Het hielmerk IP gekroond wijst naar dezelfde Jacob Pietersen die al eerder als maker van een reliëfpijpen is genoemd. De specifieke lokale Jonas met zijn sterk bi-conische ketel (afb. 16, 17) lijkt uit dit voorbeeld te zijn ontwikkeld, terzelfder tijd als de gladde pijpen van dit model en dat gebeurde niet lang na 1630. De West-Friese Jonaspijp kenmerkt zich door een sterk dubbelconische ketel en verder de smalle welgeproportioneerde neus en de puntige snor. De lokken van het hoofdhaar zijn als golvende lijnen weergegeven. Dikwijls is op de steelaanzet een leliemotief aangebracht net voor de bek van de walvis, al dan niet op een geruwde ondergrond. De productie heeft in forse aantallen plaatsgevonden en sommige van deze lokale makers beschikten zelfs over meer dan één persvorm. De walvis op de steel vertoont detailverschillen maar eindigt doorgaans in een bandje met vier omlijnde lobben, soms is hier nog een lelie opgenomen. Op het gladde steelstuk is het woord “IONAS” links en het jaartal “1633” rechts aangebracht. De meeste exemplaren die hier gevonden zijn, dragen geen merk al zou de lelie op de steelovergang wel als zodanig geïnterpreteerd kunnen worden (afb. 17). Slechts één exemplaar van dit type is voorzien van het IP-merk van Jacob Pietersen. Opmerkelijk is nog dat naast het grote aantal kleipijpen ook een pijpenkop van lood is aangetroffen (afb. 18). Dit komvormig pijpenkopje is inwendig veel wijder maar beduidend minder diep, waardoor de inhoud toch vergelijkbaar is met de dan gangbare kleipijp. Terwijl de ketel wat vormeloos is en daardoor ook wat ongedefinieerd in de steel overgaat, is de steelaanzet juist wel mooi vormgegeven. Hierin zijn enkele ingesneden ringen aangebracht, een decoratie die overeenstemt met het snijwerk van de stelen van kleipijpen dat in West-Friesland tussen 1610 en 1630 werd toegepast (vgl. afb. 9). Dergelijke metalen pijpenkoppen werden met behulp van de licht verzwaarde manchet aan een separaat roer bevestigd waarvan nauwelijks voorbeelden zijn teruggevonden. Als grondstof voor tabakspijpen is metaal niet bijster geschikt. Het geleidt de warmte te snel en levert dus een hete, scherpe rook op, dit in tegenstelling tot een kleipijp die juist een milde smaak geeft. Bovendien is lood ook niet geheel vrij van een bijsmaak. Toch zijn pijpen van metaal vanaf het begin van het roken in meerdere plaatsen gemaakt, doch hun aantal is altijd beperkt gebleven waardoor zij als archeologische vondst zeldzaam zijn. In zijn soort kent deze pijpenkop tot nog toe geen vergelijk, maar duidelijk gaat het wel om een serieel artikel. Ik kan mij goed voorstellen dat een roker zich na een eerste aanschaf niet snel zal laten verleiden tot een tweede exemplaar, zeker wanneer hij een ware liefhebber van het “toebackdrincken” is. De beerputinhoud uit Vlissingen Het favoriete pijpmodel voor Zeeland is afgeleid van het standaard dubbelconische model, basismodel 1, zoals in de jaren 1620 was ontwikkeld. Specifiek voor Zeeland is echter een groter formaat dan elders in ons land, zodat de pijpen vanwege hun zwaardere en massievere ketel wat plomper ogen. Toch zijn deze pijpen doorgaans buitengewoon fraai geproportioneerd want in overeenstemming met de grotere ketel wordt ook de steel van de pijp iets dikker gemaakt en bovendien een tweetal duimen langer. Welke wens er bij de Zeeuw aan dit specifieke model ten grondslag lag, is nog altijd onduidelijk en wonderlijk genoeg is die vraag nog nooit door iemand gesteld. In ieder geval zet de mode van dit model rond 1630 in en de ketel wordt tot 1640 steeds explicieter om vervolgens tot aan het eind van de zeventiende eeuw in die grotere vorm in productie te blijven. De afzet van de zogenaamde Zeeuwse pijp blijft overigens niet tot Zeeland beperkt. Dergelijke vergrote pijpmodellen worden ook geregeld in Vlaanderen gevonden en zij werden vanuit Zeeland ook naar elders verscheept, mogelijk zelfs tot Zuid-Amerika toe. Bij de gevonden pijpen is de ontwikkeling van het Zeeuwse pijpmodel goed te volgen want de vroegste exemplaren hebben nog het standaardvolume (afb. 19). Geleidelijk zien we het ketelformaat toenemen tot een gevestigd model dat naast de gewone standaardpijp wordt geproduceerd (afb. 25). Interessant genoeg komen de Zeeuwse pijpen in de archiefbronnen pas vanaf 1662 voor. Deze vondstgroep brengt het Zeeuwse smaakfenomeen dus dertig jaar in de tijd terug naar het moment van ontstaan, kort na 1630. Onduidelijk blijft overigens hoe het mogelijk is dat een dergelijk modefenomeen al zo vroeg op de markt verschijnt en evenmin is het bekend waarom deze mode is ontstaan. Duidelijk is bij de gevonden pijpen dus sprake van een hechte ontwikkeling van een gangbaar Hollands pijpmodel van de fijne kwaliteit uit circa 1630 naar een specifiek formaat voor een bepaald marktsegment. Nooit eerder hebben vondsten het mogelijk gemaakt om binnen dezelfde kwaliteitsgroep de detailontwikkeling zo scherp neer te zetten. Alle in Vlissingen gevonden pijpen zijn op een standaardwijze afgewerkt: na het gladstrijken van de vormnaden is de ketelopening gebotterd en van een rondgaande radering voorzien. Ketel en steel werden tenslotte met agaatsteen gepolijst, waardoor de pijp een luxueus glanzend uiterlijk kreeg (afb. 19, 20). Nadat de pijp een periode zonder decoratie werd geleverd, ging men over tot het toevoegen van een zwaartepuntversiering bestaande uit een partij gestempelde lelies in ruiten (afb. 21). In de loop van de jaren wordt dat patroon uitgebouwd door twee partijen van vier lelies in ruiten aan te brengen, gescheiden door een rond de steel lopende radering (afb. 22-23). Ook deze producten werden na het stempelen met agaatsteen gepolijst, zowel aan de kop als langs de steel. Zo ontstond een hoogwaardig product met een prachtig glanzend uiterlijk. De zwaartepuntmarkering wordt tenslotte weer vereenvoudigd door de omgaande radering te laten vervallen (afb. 25). Reden daarvoor is vermoedelijk niets meer dan besparing van arbeidstijd. Het stempelen kostte al behoorlijk wat tijd, maar het draaien van het radeermes rond de steel was vanuit de motoriek van de tremster gezien een totaal andere handeling die de snelheid van produceren behoorlijk in de weg zat en een extra risico tot uitval gaf. Vandaar dat de raderingen na een aantal jaren kwamen te vervallen, waardoor het resultaat minder indringend werd, maar je zou ook kunnen spreken van subtieler. Dezelfde maker van bovengenoemde pijpen produceerde ook een tabakspijp waarvan de steel van een fraaie, afgewogen reliëfdecoratie is voorzien (afb. 24). Als bij de andere kleipijpen gaat het weer om een zeer verzorgd product, opnieuw in uitvoering gericht op de Zeeuwse markt. Dankzij de fraai gepolijste gladde delen van de pijp is een prachtig contrast ontstaan met de gewerkte zone, die geen licht weerkaatst maar het lijkt te absorberen en zo tamelijk diffuus zijn motieven tentoonspreidt. Onduidelijk blijft of een dergelijk reliëfpijp per gros werd geleverd, of dat er in die periode al sprake was van een geschenkpijp bij een gros gewone producten. Dat laatste zou heel goed mogelijk kunnen zijn gezien de drie teruggevonden exemplaren ten opzichte van de partij gewone geglaasde pijpen. Ook wat betreft de hielmerken is er bij deze stortvondst sprake van minder variatie dan in Westeinde. Er zijn slechts vijf verschillende merken aangetroffen, zij het dat sommige wel enige detailvariatie vertonen. Het oudste merk is de vijfbladige roos onder een kroon in een contour geplaatst (afb. 19). Vanaf 1620 is dit gekroonde roosmerk een veelvoorkomend motief, dat overigens eerder een algemene kwaliteitsaanduiding was dan een persoonlijk teken. Daarna komt op deze locatie de gekroonde roos met initialen in gebruik, waarvan hier twee variaties zijn gevonden, namelijk die met de letters WP in cirkelvorm (afb. 20) en in contour (afb. 21). Nog weer later is sprake van een roos met kelkbladen in een gladde omlijsting (afb. 22, 23) en dat merk blijft jarenlang populair. Rond 1640 verruilt men dit merk voor een lelie in ruit (afb. 25), een stempel identiek aan dat waarmee ook de steeldecoratie is aangebracht. De veranderingen in de hielmerken laten zich aan de hand van archiefstukken uit Gouda vrij exact dateren. In Gouda ontstaan namelijk over het eigendomsrecht van het merk roos gekroond geschillen. In 1628 wordt afgekondigd dat dit merk niet meer vrij te gebruiken is, tenzij dit wordt voorzien van de initialen van de maker. De gekroonde roos zonder initialen zou derhalve uit de tijd in of kort voor 1628 stammen. De stedelijke regeling over het roosmerk dwingt andere makers dus zijn initialen aan het merk toe te voegen. Dat vindt dus vanaf 1628 plaats. De initialen geven ons bovendien houvast tot toeschrijving aan een maker. Op het moment dat de oorspronkelijke eigenaar van het roosmerk sterft, ontstaat er in Gouda weer meer vrijheid voor het gebruik van dit teken al is het belang van het roosmerk dan al fors teruggelopen. Uit die tijd moeten de merken stammen met een roos met kelkbladen, waarvan vijf verschillende uitvoeringen zijn teruggevonden (afb. 22-24). Deze stempels zijn een exacte kopie van de exemplaren die in de jaren 1620 in Gouda in omloop waren en ondermeer op enkele bijzondere reliëfpijpen voorkomen. Vier van de gevonden merkstempels zijn nagenoeg identiek, zij verschillen alleen van intensiteit in het graveerwerk terwijl extra variatie veroorzaakt lijkt door meer of minder slijtage van het stempel. Het vijfde stempel wijkt af omdat hier een parellijst om het merk is aangebracht. Gezien een iets grotere ketelhoogte gaat het hier mogelijk om een wat later product. Achter de initialen WP lijkt de Goudse pijpenmaker Willem Plots schuil te gaan. Hoewel over hem nauwelijks iets bekend is, weten wij dat hij in 1632 komt te overlijden. Behalve dat de initialen overeenstemmen is er een andere reden aan te nemen dat hij de maker is. De rekening van zijn begrafenis vermeldt namelijk dat er voor de baar en het luiden van de klok de lieve som van ruim dertien gulden moet worden betaald. Voor een pijpenmaker was hij kennelijk een vermogend man en juist dat gegeven past bij de kwaliteit van de gevonden producten. Ook de duur van de leveringen naar Vlissingen wijzen op een consistent bedrijf en dus op winstgevende handel. Maker Willem Plots past dus in de profielschets van de gevonden pijpen en toeschrijvingen komen vaak op basis van dit soort gegevens tot stand. Toch hebben de hier besproken pijpen niet de gebruikelijke Goudse uitstraling zoals wij die uit andere vondsten kennen. Dat wordt wellicht veroorzaakt door de modelaanpassing die werd gedaan om de Zeeuwse roker te bekoren. Daarnaast zijn niet alle producten zo zorgvuldig afgewerkt als in die periode in Gouda gebruikelijk was. Tenslotte sluit ook het graveerwerk van de merkstempels niet aan bij wat in die periode in Gouda werd gepresteerd. Dat er bij deze forsere pijpen met grotere hielen van een groter stempel sprake is, wijst op het Goudse streven naar perfectie en maximale eenheid, maar dat de gravering een bepaalde fijnheid mist, sluit daar niet bij aan. Reden om de toeschrijving aan Plots nog eens te overwegen. Ook historisch gezien ontstaat er bij de dood van Willem Plots in 1632 onvermijdelijk een cesuur. De voortgang van het bedrijf komt in het geding. Weliswaar kan de pijpenmakerij onder leiding van de weduwe worden gecontinueerd, zeker wanneer zij hertrouwt. Dat zou tevens een verklaring voor de wisseling van het merk gekroonde roos naar de losse roos kunnen zijn. Binnen de zich settelende standaardisering in de pijpennijverheid was het overigens ook mogelijk een nieuw bedrijf te starten met overeenkomstig productiemateriaal door goed geschoolde knechten. In dat geval zouden de orders op een andere maker zijn overgegaan, al getuigen de vondsten daar niet van. Weliswaar was de productie in Gouda rond 1630 al ruim bovenregionaal, maar de handelsroute van Gouda naar Zeeland is niet optimaal. Via de binnenvaart is transport naar Zeeland mogelijk, al is dit wel wat omslachtig. Plaatsen als Dordrecht en Gorinchem liggen wat dat betreft beduidend gunstiger. Bij bestudering van de archiefgegevens blijkt in Gorinchem van 1630 tot 1642 de pijpenmaker William Pritsaert werkzaam te zijn. Ook zijn initialen stemmen overeen met die aan weerszijden van het gevonden roosmerk. Bovendien kenmerken de pijpen uit Gorinchem zich in die periode door een iets forser formaat en een minder zorgvuldige afwerking. Alle reden dus om de Goudse toeschrijving voor Gorinchemse te verruilen. Pritsaert krijgt in Gorinchem in 1630 het poorterschap en is actief werkzaam tot na 1642. Uit verschillende akten van hem blijkt dat hij niet alleen pijpen produceerde en daarvoor zelfs een zetbaas in dienst had, maar ook tabak verhandelde. Een dergelijke dubbelhandel zien we in de vroegste periode van het roken wel vaker. Uit schuldbekentenissen blijkt dat Pritsaert goed ingevoerd was in de Gorkumse kring van pijpenmakers. Wat bij de pijpen met het roosmerk zonder kroon voor een latere datering pleit, zijn de verder geëvolueerde ketels die niet alleen meer expliciet dubbelconisch zijn, maar ook sterker de Zeeuwse vormkenmerken vertonen. Tussen de pijpen met de gekroonde roos en de roos zonder toegevoegd teken vindt dus niet alleen een verandering van merk plaats maar ook een verdere ontwikkeling naar het specifieke Zeeuwse model. Het model krijgt zijn definitieve vorm en stabiliseert zich voor enige tijd. Het forse aantal gevonden pijpen (62 exemplaren) en de variatie in de steeldecoraties wijzen ook op een langere productieperiode, mogelijk van 1632 tot tegen 1640. Wanneer we er van uitgaan dat de roker een consistent rookgedrag aan de dag legde en tot 1632 negentien pijpen verbruikte, dan ligt het voor de hand dat dezelfde persoon of personen met een aantal van 62 exemplaren een periode van zo’n acht jaar toe konden. Na de pijpen met de roosmerken vinden we in de stort nog een laatste fase van het dubbelconische Zeeuwse model terug, namelijk in de vorm van kloeke pijpen met een fractie grotere ketel en het reeds genoemde merk lelie in ruit. De fijnheid van deze producten is wel iets teruggelopen en ook de zwaartepuntmarkering is aangepast aan de mode. De rondgaande raderingen om de steel zijn weggelaten en het decoratiepatroon keert terug naar dat van de jaren rond 1630. Wel is het stempel veranderd: dit is iets groter en fijner van gravering, waardoor de markering op de steel ook wat subtieler is geworden. Het hielmerk lelie in ruit is met hetzelfde stempel gezet als de steeldecoratie. Opnieuw is hier geen sprake van een persoonsgebonden merkteken maar eerder een versieringsmotief, zoals de roos eigenlijk ook was. Dit wijst erop dat het merkteken voor de Zeeuw een bezegeling van de kwaliteit was maar geen functie vervulde als reclameteken naar een bepaalde maker. Moeten we in dit geval denken aan een onvrije markt, waarin concurrentie niet van toepassing was? Wanneer we de reeks modellen overzien, blijkt de kwaliteit van de pijp die naar Vlissingen wordt gezonden dus tussen 1630 en 1640 iets terug te lopen. Het product krijgt sterker een industriematige uitstraling. Dat zien we bijvoorbeeld aan de wijze waarop de vormnaden worden weggewerkt. Bij de oudste roospijpen is de steel rond en prachtig glad en strak. Vergelijken we dit met de pijpen met de lelie op de hiel dan zien we dat de persvorm slechter sluit en de vormnaden niet volmaakt vlak konden worden afgestreken, bovendien is het glaaswerk minder zorgvuldig en getuigt van haast. Tenslotte is de steeldiameter niet langer perfect rond. Het glaaswerk heeft weliswaar de imperfecties van de persvorm enigszins verdoezeld, maar het resultaat oogt toch minder fraai. Die industriematige manier van werken wijst op belangrijke veranderingen in de pijpenmakerijen waar deze producten tot stand kwamen. De oudste exemplaren vonden aftrek omdat zij zo prachtig waren, de latere pijpen werden verkocht omdat er standaard leveringsovereenkomsten bestonden, die gewoonweg werden gecontinueerd. Er werd niet langer een inspectie op de kwaliteit verricht en daarom kon het werk kwalitatief minder zijn. Een dergelijke ontwaarding van het product kan mede gebeuren wanneer de consument hierop geen aanmerking maakte. Een vergelijk tussen de twee vondstgroepen Het materiaal uit Westeinde kenmerkt zich door een grote omloop aan pijpen: in een periode van dertig jaar werden minimaal 1258 pijpen gebruikt ofwel ruim veertig stuks per jaar. In Vlissingen ligt het gevonden aantal op 142 stuks over een tijdspanne van zo’n tien jaar ofwel er is een omloopsnelheid van veertien stuks per jaar. De hoge omloop in Westeinde wijst niet op het roken in gezinsverband maar op een andere sociale context. Hier moet sprake zijn van een plek van openbaar karakter waar men indertijd samenkwam en rookte: een drinkplaats, herberg, tabakskroeg of iets dergelijks. Dat wordt ook verklaard vanuit de variatie aan pijpen. Het merendeel van het materiaal is in meervoud gevonden en wijst op gereguleerde distributie op die locatie, terwijl daarnaast ook van een beperkte instroom aan importmateriaal van buiten West-Friesland sprake is. Dat zouden heel goed de pijpen van de gasten kunnen zijn die door hen werden binnengebracht en ter plekke sneuvelden. De vondst uit Vlissingen daarentegen is onwaarschijnlijk eenzijdig en gezien de aard van het materiaal en de wijze van gebruik afkomstig van een enkel huisgezin. A-typisch daarbij is de ongelooflijk standvastige keuze voor het rookgerei, dat zelden zo’n uniform karakter laat zien. Gezien het jaarverbruik aan pijpen is hier sprake van één of enkele rokers die door de jaren heen steeds van eenzelfde soort pijp gebruik hebben gemaakt. Hun keuze was zowel standsbewust als onveranderlijk. Kijken we naar de gebruiksintensiteit, dan valt bij beide complexen een duidelijk verschil te ontwaren. In Vlissingen is sprake van een intensiever gebruik dan in Westeinde, waar behoorlijk wat pijpen geborgen zijn die nauwelijks gerookt waren. Hoewel het gebruik in Vlissingen dus in eerste instantie op grotere zuinigheid lijkt te wijzen, hoeft dat niet het geval te zijn. We moeten ons bedenken dat een pijp die langer wordt gerookt ook beter gaat smaken en om die reden stimuleert zuinigheid het genoegen van een diepere smaak. Daarnaast is een plek waar lieden tezamen kwamen om te drinken en te roken niet een plaats voor het langdurig gebruik van een kleipijp: tijdelijke gasten zorgden voor een kort gebruik, gemakkelijke omgang voor een verhoogd risico tot breuk. In huiselijke kring ligt dat anders en is de overlevingskans van een kleipijp beduidend groter. Een zuinigheidskenmerk uit Westeinde is nog een pijpje met slechts vier centimeter steel waarin de tanden van de gebruiker gesleten zijn. Bij beide vondsten is sprake van een kenmerkende en goed te duiden smaak. Ook al is het aangeschafte rookmateriaal sterk verschillend het sluit aan bij het lokale gebruikspatroon zoals wij dat uit andere vondstcomplexen kennen. West-Friesland kenmerkt zich door een belangstelling voor eenvoudige gebruikswaar, dat wordt afgewisseld met pijpen voorzien van een zwierige decoratie. In Zeeland is sprake van een meer ingetogen smaak in dit specifieke geval van kwalitatief hoog niveau: het gaat om het juiste formaat en de fijnheid van het product, vooral de glans ervan. Waar in Westeinde functionaliteit en opvallen met een pijp die niet echt hoog van kwaliteit is voorop staat, ging het bij de rokers in Vlissingen louter om kwaliteitsproducten die aansloten bij de status en het standsgevoel van de gebruiker. In het pijpmodel vertonen beide vondstgroepen ook eigen kenmerken. In West-Friesland ontstaat rond 1630 het sterk bi-conische ketelmodel dat regiogebonden blijft. In Zeeland vestigt zich de mode van het Zeeuwse model, een patroon dat zich vanaf 1630 op verzoek van de Zeeuwse roker ontwikkelt en daar generaties lang zou blijven. Het rookgerei met een expliciet groter ketelformaat en een dikkere steel had overigens wel de hoge mate van fijnheid en modelzuiverheid die bij de pijpen uit Westeinde ontbreken. Pokdalig oppervlak, scheve raderingen, slecht bijgewerkte hielen en andere vormverdoezelende onzuiverheden zijn in de kop van Noord-Holland gangbaar, maar blijven onze Vlissingse rokers vreemd. Daar is het kenmerk welafgewogen, goed afgewerkt, verzorgd en vooral glanzend. Via beide complexen maken we ook kennis met de modelopvolging van de pijpen. Door de vormen en afwerkingen zorgvuldig te bestuderen kunnen we een zekere chronologie in de ontwikkeling van bepaalde bedrijven aangeven. Daarbij zien we dat de lokale nijverheid in West-Friesland blijft hangen bij een product van semi-fijne kwaliteit met een sterk ambachtelijke uitstraling. In Gorinchem werkt men voor een marktsegment waar blijkbaar hoge eisen aan de kwaliteit werden gesteld en bereikte men het op dat moment maximaal haalbare. Toch zien we binnen die ontwikkeling dat het product van liefdevol en volmaakt kort na 1630 in zo’n tien jaar tijd transformeert naar geroutineerd en industrieel. Economisch bezien een interessante verschuiving en een noodzaak voor een nijverheid om te overleven, zeker wanneer concurrentie met andere steden en inzonderheid Gouda toeneemt. Ontbreekt een meer industriematig werken dan is de nijverheid gedoemd te verdwijnen. Bij de meeste regionale bedrijven is dat ook gebeurd, al gingen daar soms enkele decennia over heen. De pijpenmakers in Gorinchem wisten de markt langer vast te houden, maar moesten deze uiteindelijk toch ook aan Gouda afstaan. De Zeeuwse vondsten laten tevens zien hoe perfect het Gorkumse product is ten opzichte van de meeste lokale maaksels. De stapsgewijze veranderingen in de roospijpen die in Vlissingen zijn gevonden, bewijzen ook de evolutie van het pijpmodel in Gorinchem voor die specifieke Zeeuwse markt in die hoge kwaliteitsklasse. Dat blijkt vooral wanneer we de West-Friese pijpen met het merk hand die niet geheel vormzuiver zijn, slordig afgewerkt met ruwe plekken afzetten tegen de vroegste versies van William Pritsaert. Dan steken de pokdaligheid en het schrale glaaswerk uit Enkhuizen of Hoorn schil af tegen de glanzende uitstraling van de strakke modellen uit de voornaamste Gorinchemse werkplaats. Ook wat betreft de hielmerken kunnen we een en ander opmerken. Primair is dit een teken dat de maker zet om zich van anderen te onderscheiden en klanten aan zich te binden. Het roosmerk wordt vanaf 1620 het belangrijkste merk en is een algemeen teken voor een goede kwaliteit. Dat zien we in Westeinde terug aan het grote aantal roosmerken uit de jaren 1620. Kenmerkend voor de locatie gaat het echter om semi-fijne pijpen, minder dan een kwart is geglaasd. In hoeverre de klant zijn pijpen merkgericht aanschafte, blijft onduidelijk en hangt af van de consument en de locatie. In Westeinde was in de jaren 1620 de helft van de pijpen gemerkt al bleef zoals vermeld de kwaliteit ruim onder het gemiddelde. Rond 1630 kiezen veel makers voor een meer specifiek beeldmerk of een initiaalmerk en dat wijst erop dat de consument gevoeliger wordt voor het pijpenmakersmerk en sterker merkgericht koopt. Dat verschijnsel zien we bij de Westeinder pijpen, al zijn de merken vaak wat slordig gestempeld en tonen daardoor niet de makerstrots die je zou verwachten. Bij de kwaliteitspijpen uit Vlissingen zien we die zorgvuldigheid wel terug: de merken zijn keurig gestempeld, scherp van voorkomen en dus optimaal herkenbaar. Echter, hier is de keuze voor roosmerken duidelijk gedateerd en lijkt het er meer om te gaan dat de pijpen van een net gestempeld merk moesten worden voorzien, dan dat het teken appelleerde aan een bij naam bekende maker. Het lijkt er op dat de Zeeuwse roker zich in die tijd niet bewust was van de mode ten aanzien van het pijpenmerk zoals dat in veel andere steden gold. We zouden daaruit kunnen concluderen dat de betreffende Gorinchemse pijpenmaker een stevige handelsrelatie of misschien zelfs monopoliepositie had weten te bereiken met zijn afnemer in Vlissingen. De uiteindelijke klant, de roker, werd verder geen keuze geboden en kocht de hem bekende kwaliteitspijp zonder zich bewust te zijn van de mode in merken onder de pijpenmakers in Gorinchem, in Gouda of waar dan ook. Tenslotte is er nog een vergelijk naar steellengte. Helaas is in beide vondstcomplexen slechts één complete pijp gevonden, zodat dit aspect speculatief moet blijven. Algemeen geldt dat de lengte van de steel van de kleipijp tussen 1610 en 1630 toeneemt, van de kortste exemplaren van ‘een vinger lang’ rond 1600 en zo’n 12 centimeter in circa 1620 tot een kleine 25 centimeter in 1630. Die standaardmaat moet voor het leeuwendeel van de Westeinder pijpen gelden. In Vlissingen was echter van een nieuw model pijp sprake, met een vergrote ketel en een dikkere steel die ook langer was. Hiervan moet de lengte op ongeveer 30 centimeter hebben gelegen en met die grotere steellengte kreeg de zwaardere pijp zijn verhouding weer terug. Wat dat betreft had men de gulden snede van de kleipijp ook in Gorinchem begrepen al is hier vermoedelijke van imitatie naar Gouds voorbeeld sprake. De plaats van de versierde waar in de stort uit Westeinde is nog wat moeilijk te duiden. Deze pijpen zijn het speelse element onder het rookgerei en gevoelsmatig passen deze reliëfpijpen goed in een bijna boerenmilieu, vooral wanneer we bedenken dat niet de mooiste scherpe afdrukken zijn geborgen, maar juist producten uit persvormen die tot op het ontoelaatbare waren afgereden. Anders ligt dat overigens met de Jonaspijpen, die zijn wel vormzuiver, al is ook hier sprake van vormslijtage, bijvoorbeeld zichtbaar aan het minder goed sluiten van de persvorm waardoor de hiel niet meer mooi rond is. Ook het feit dat deze pijpen niet langer van een gestempeld merk werden voorzien, wijst op teruglopende kwaliteit. Overigens is het goed te bedenken dat de Jonaspijp eigenlijk nooit een eliteproduct is geweest, maar altijd een zekere volkse uitstraling had. Over het marktaanbod ter plekke rijzen nog enkele andere gedachten. Bij de Westeinder groep is het vinden van pijpen van Evert Franck tamelijk onverwacht. Het gaat uiteindelijk om een Amsterdamse maker met behoorlijke pretentie. Transport naar Noord-Holland past goed in het consumptiepatroon daar, omdat er in West-Friesland een grote belangstelling voor bontversierde pijpen bestond. Misschien zelfs zijn dergelijke producten door Amsterdamse makers wel geïnitieerd om in de noordelijke streken te worden verkocht en zijn ze daar vervolgens nagemaakt in de lokale werkplaatsen, zichtbaar met minder charme. Vooralsnog is dat onbekend. Wel kunnen we bij deze zogenaamde Amsterdamse reliëfpijpen enkele kanttekeningen plaatsen. De sterk afgereden kop met de maskers (afb. 12) valt namelijk slecht te rijmen met het oorspronkelijke luxe, elitaire product waar het voor door moest gaan. Een maker die zo’n prestigieuze pijp op de markt brengt, zal dat product toch niet zo ver laten afzakken. Is hier geen sprake van een tweede gebruik van de persvorm op een andere locatie? Ook de pijp met de gewerkte steel en het jaartal 1633 is onverwacht (afb. 13). In Amsterdam is een dergelijke vondst nooit gedaan, sterker nog, in heel Nederland niet. Wel bevindt zich een exemplaar van deze pijp in het archeologisch depot van het Nationaal Museum in Kopenhagen. Het lijkt er op dat deze persvorm misschien ook niet alleen in Amsterdam is gebruikt. Een bewijs voor herproductie elders, bijvoorbeeld in Enkhuizen, zou ook kunnen worden geconcludeerd uit het hielmerk van het exemplaar in Kopenhagen. Hierop is namelijk een lelie in ruit aangebracht, kenmerkend voor de Westfriese pijpenmakers en in die vorm zeker niet in Amsterdam gebruikt. Ook onder de Westeinde pijpen bevindt zich één exemplaar met een hielmerk, waarbij heel vaag het merk uil is afgedrukt. Ook dit merk is zowel uit Amsterdam als uit Westfriese bedrijven bekend en helpt ons dus niet verder. Hoewel het tamelijk onverwacht is dat een pijpenmaker in een Zuiderzeeplaatsje persvormen en ander gereedschap uit een Amsterdamse werkplaats overneemt, is deze verklaring plausibel ten aanzien van de merken op de ene soort pijpen en de afgereden toestand van de persvorm van de andere. De barokpijp van Jacob Pietersen (afb. 14) vertoont eveneens een discrepantie die tot speculeren noodt. De zorgvuldige gravering van de decoratie staat in schril contrast met de volkse wijze waarop de makersnaam is gegraveerd. Ook hier lijkt sprake van een tweede eigenaar van de persmal. Wanneer we de tekst op de steel nauwkeurig bestuderen, blijkt dat het eerste deel van de naam over een eerdere meer bescheiden inscriptie is heen gegraveerd. Helaas is dat eerdere opschrift eerst deels weggevijld en daardoor niet meer leesbaar. Rest ons natuurlijk nog de vraag of de drie persvormen van elders in hetzelfde bedrijf van Jan Pietersen zijn herbruikt of dat dat bij twee of zelfs drie verschillende lokale makers gebeurde. Voor dat antwoord hebben we helaas nog niet genoeg informatie. Het is niet eenvoudig het aanschafpatroon van pijpen op de beide locaties te duiden, noch meer over de consumenten te zeggen. Beide storten kenmerken zich door meer van hetzelfde, ofwel van aanvoer langs gevestigde handelskanalen en een consistent smaakpatroon. Op beide locaties was de keuze min of meer vastgesteld. De vervuiling in Westeinde is al verklaard evenals het onverwacht consequente patroon van consumeren in Vlissingen. Wel blijkt West-Friesland grotendeels zelfvoorzienend: men rookte overwegend wat men daar produceerde. In Zeeland was de pijpenproductie in die periode beduidend minder ontwikkeld en vermoedelijk was het roken op zich er ook minder gangbaar. Het is dus niet verwonderlijk dat de rijke roker niet voor de lokale productie koos, die er zonder twijfel geweest moet zijn. Hij nam zijn toevlucht tot het beste dat verkrijgbaar was en koos voor import van de hoogste kwaliteit. In dat marktsegment ontwikkelde zich geleidelijk een specifieke smaak waarvan zoals al opgemerkt het waarom voor ons nog onduidelijk is. De steeds licht wisselende details aan de pijpen uit Vlissingen wekken de indruk dat de pijpen bij een tabaksverkoper of ander gevestigde nering werden betrokken uit een gros daar ter plekke aanwezig. Dat de roker in het huishouden uit een eigen voorraad putte, lijkt niet waarschijnlijk want daarvoor zijn de detailverschillen op de gevonden pijpen te menigvuldig. Het materiaal moet dus via een winkelier zijn aangevoerd, bij kleinere aantallen, hoogstens per half dozijn. Die detailhandel beschikte over vaste aanvoer waarmee de consistente kwaliteit gegarandeerd was en die handelaar zal ook andere huishoudens in Vlissingen van pijpen hebben voorzien. Dat patroon van leveren kennen we uit achttiende eeuwse vondstgroepen maar blijkt nu ook voor de jaren 1630 te gelden. De ontwikkeling van het Zeeuwse model zien we in de Gorkumse nijverheid ook bij enkele andere makers terug. Het is een marktsegment dat van fors belang is geweest, vermoedelijk omdat de Zeeuwen met deze pijpen op hun beurt weer handel dreven naar de zuidelijke provincies maar ook overzee. Naast de afgebeelde pijpen met de roosmerken en die met de lelie zijn er vergelijkbare stijlen in productie. Gorinchem blijft in deze handel echter niet uniek. De stad Gouda ontdekt dit afzetgebied al in de jaren 1630 en verschijnt dan ook actief op de Zeeuwse markt. Opeenvolgende Goudse makers produceren pijpen voor de Zeeuwse markt met identieke Zeeuwse modellen. Het lijkt er op dat Gouda dat model niet zelf ontwikkelde, maar dat op haar beurt van Gorinchem heeft overgenomen. Die overname moet met veel succes zijn gebeurd en niet lang na 1640 drukken de Gouwenaars de Gorkumse pijpenmakers in Zeeland van de markt. De Gouwenaar Steven Hendricksz. is waarschijnlijk de eerste leverancier van grootscheepse partijen en interessant genoeg is van hem eenzelfde baroksteel bekend als van Pritsaert. Jonathan Scharp is de tweede Gouwenaar die de Zeeuwse markt verovert; later worden grootscheepse leveringen door Thiel Jansz. Proost verzorgd. Ook bij de Goudse makers gaat het om productiebedrijven waar vervaardiging op grote schaal plaatsvond. In feite de eerste exportbedrijven met een gestroomlijnde gestandaardiseerde productie, gesneden op maat van een specifieke consument, in dit geval de Zeeuw. Tenslotte rest er nog iets te zeggen over wat er in de pijp werd gerookt, de tabak. Hoewel deze in rook opging, is het opmerkelijk dat in de Westeinder pijpen geen restjes tabak zijn achtergebleven. Het lijkt erop dat men de pijpen, zelfs wanneer zij onverhoeds braken, toch nog eerst leeg rookte, louter uit zuinigheid dus. In het Zeeuwse milieu komen we wel resten tabak in de pijpenkoppen tegen. Een gebroken maar nog niet leeggerookte pijp of een verstopt exemplaar werd zonder pardon weggeworpen en men pakte gewoon een nieuwe. Dat gegeven zegt in feite meer over de welvaart in het Zeeuwse milieu dan het aantal veronderstelde keren roken van een bepaalde pijp. Op een gegeven moment werden de pijpen zonder aarzeling in de put geworpen en gleden in de zachte smurrie van beer naar beneden. Om die reden hebben veel van de Vlissinger pijpen nog een aanzienlijk stuk steel. Een totaal ander wegwerppatroon dan de pijpen waarmee het erf in Westeinde werd aangeplempt en die tot kleine stukjes werden aangestampt. Wanneer dat materiaal dan ook nog slordig wordt opgegraven, is het begrijpelijk dat de fragmenten nauwelijks passend te krijgen zijn. Onduidelijk bij dergelijke complexen blijft altijd hoeveel we hebben gevonden van wat indertijd is weggeworpen. Uiteindelijk komt de reconstructie van het gebruik van de pijp vanuit het stortmateriaal voort en laat dus eerder het patroon van wegwerpen zien, dan het gebruik op zich. Vanzelfsprekend kan bij beide complexen een deel van het afval langs andere weg gestort zijn en werd daarom niet in de bovenstaande gedachten betrokken of werd door de opgravers ondershands verkocht zonder dat daarvan melding is gemaakt. Conclusie Ook voor het algemene onderzoek naar de kleipijp zijn beide storten van nut geweest. Door zorgvuldige bestudering kunnen we een exacte periodisering aan bepaalde pijpmodellen toekennen, waardoor een scherper beeld van de evolutie van de pijp naar voren komt. De vroege exemplaren uit Westeinde laten zien hoe sterk de eerste rokers van regionaal materiaal gebruik maakten en welke beperkte kwaliteit dat had. Tevens definieert het vondstmateriaal de stijl van de kleipijp in Enkhuizen en Hoorn tussen 1610 en 1640. De pijpen gevonden in Vlissingen zijn van groot belang om de opkomst van het zogenaamde Zeeuwse model vast te stellen en leren ons meer over de kwaliteit van de kleipijp in Gorinchem en hoe de makers op een specifieke, regionale smaak inspeelden. De reeks pijpen met het hielmerk roos laten zien hoe geregeld de stempels werden gewisseld en welke veranderingen men in de steeldecoratie aanbracht. Belangrijk is te moeten onderkennen dat handelsroutes ons eerder de weg wijzen naar een productieplaats in de nabijheid dan dat wij het allesoverheersende beeld moeten volgen dat kwaliteit uit Gouda kwam. De vondsten brengen ook enkele nieuwe merken aan het licht, evenals onverwachte decoraties op pijpen. Naast het leren kennen van het marktaanbod en de keuze die daaruit werd gemaakt, tekenen zich patronen van smaakverandering af. Bij het materiaal uit Westeinde zien we een metalen pijp als variant, later de introductie van gedecoreerde waar. De pijpen uit de beerput in Vlissingen behoren wel tot een van de meest consistente gebruikersgroepen die ooit zijn gevonden. Hier bedienden de rokers zich jarenlang van dezelfde soort pijpen, zonder daar ooit van af te hebben geweken. Onvermijdelijk veranderde het model gaandeweg en tekende zich een vormevolutie af, die de roker van toen mogelijk zelfs nooit heeft opgemerkt. Andere vondsten in Vlissingen zullen moeten laten zien hoe deze gebruikersgroep zich tot het marktaanbod in die plaats verhoudt. Een interessant gegeven is dat de rokers in Noord-Holland overwegend producten uit de lokale nijverheid gebruikten, zij het dat men voor de productie van gedecoreerde pijpen gereedschap uit andere centra betrok. In Vlissingen bediende de consument zich louter van aangevoerde waar. Aanvoer komt echter in Noord-Holland ook voor, echter zeer incidenteel en zonder enige structuur en vooral zonder een werkelijke aanvulling op het beschikbare rookgerei te zijn. Ongetwijfeld bestond er ook in Vlissingen een lokaal product, maar klaarblijkelijk was dat voor het hier besproken milieu niet geschikt. Naast details over de producten en hun rokers, laat dit artikel ook zien hoezeer het gebruik van de kleipijp in een overlappende periode regionaal grote verschillen kan vertonen. Wat dat betreft noden deze twee studies tot vergelijkingen in andere gebieden van ons land, maar eigenlijk ook in de directe nabijheid om met soortgelijke stortvondsten een exacter beeld van het gebruik van de pijp te krijgen. Nogmaals wordt hiermee het belang onderstreept van het opgraven en bewerken van gesloten vondstcomplexen kleipijpen. Dit alles op zoek naar de grootste gemene deler van de rookcultuur èn het duiden van uitzonderingspatronen. © Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2008.
Westeinde slootvuling
Afbeeldingen 1.Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Snijfilt. Ongemerkt. Noord-Nederland, 1600-1615. 2. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Snijfilt. Hielmerk zespuntige ster. Noord-Nederland, 1605-1615. 3. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Snijfilt. Hielmerk IR met bladmotiefjes. Noord-Nederland, 1605-1615. 4. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Snijfilt met lip. Hielmerk kruisje. West-Friesland, 1605-1615. 5. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk lelie in ruit. West-Friesland, 1610-1620. 6. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. West-Friesland, 1610-1620. 7. Tabakspijp met dubbelconische ketel met Hoorns model, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk stippelroosje. Enkhuizen/Hoorn, 1620-1630. 8. Tabakspijp met dubbelconische ketel met Hoorns model, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk roos gekroond. Enkhuizen/Hoorn, 1620-1630. 9. Tabakspijp met dubbelconische ketel met Hoorns model, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk roos. Steel met stempeling van lelies in ruiten en ingesneden ringen. Enkhuizen/Hoorn, 1620-1630. 10. Tabakspijp met dubbelconische ketel met Hoorns model, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk hand in contour. Enkhuizen/Hoorn, 1620-1630. 11. Tabakspijp met dubbelconische ketel met Hoorns model, hiel en rechte steel. Filtradering. Hielmerk IP gekroond. Enkhuizen/Hoorn, Jacob Pietersen, 1630-1640. 12. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Reliëfdecoratie van zes maskerkopjes en ornamenten, steel links “EVERT FRANC” en rechts “ANNO 1633”. Amsterdam, Evert Franck, 1633-1635, later Enkhuizen/Hoorn, 1635-1640. 13. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Steel reliëfdecoratie van symmetrische geordende roosjes en blaadjes, omgaande band met links jaartal “1633” en rechts “E.F.”. Amsterdam, Evert Franck, 1633-1635, later Enkhuizen/Hoorn, 1635-1640. 14. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hielmarkering en rechte steel. Filtradering. Ketelbasis vier gestileerde bladeren, steel tussen concentrische banden geometrisch geordende vegetatieve decoratie, steeleind links in reliëf “IACOB PIETERSEN”. Gouda, later Enkhuizen/Hoorn, Jacob Pietersen, 1630-1640. 15. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel hoofd van Jonas met snor en baard. Hielmerk IP gekroond. Enkhuizen/Hoorn, Jacob Pietersen, 1630-1635. 16. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel hoofd van Jonas met snor en baard, steel walvis met geopende bek, tweemaal een lelie. Steeleind links “IONAS” en rechts “1633”.Enkhuizen/Hoorn, 1630-1640. 17. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel hoofd van Jonas met snor en baard, steel walvis met geopende bek. Hielmerk IP gekroond. Enkhuizen/Hoorn, Jacob Pietersen, 1633-1640. 18. Tabakspijp van lood met komvormige ketel, geprononceerde filtrand en korte steel met insnijdingen. West-Friesland, 1620-1630. 19. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos gekroond in contour. Gorinchem, William Pritsaert, 1628-1632. 20. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos gekroond met initialen WP. Gorinchem, William Pritsaert, 1628-1632. 21. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos gekroond met initialen WP in contour. Steel zwaartepunt lelies in ruiten. Gorinchem, William Pritsaert, 1628-1632. 22. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos met kelkbladen binnen parelcirkel. Steel zwaartepunt dubbele lelie in ruiten en twee omgaande raderingen. Gorinchem, 1630-1638. 23. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos met kelkbladen. Steel zwaartepunt lelies in ruiten en drie omgaande raderingen. Gorinchem, 1632-1640. 24. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk roos met kelkbladen. Steel in reliëf zwaartepuntdecoratie van symmetrisch geordende bloemen tussen verzwaarde banden met lofmotieven afgesloten. Gorinchem, 1632-1640. 25. Tabakspijp met dubbelconische ketel, hiel en rechte steel. Filtradering. Ketel en steel geglaasd. Hielmerk lelie in ruit. Steel zwaartepunt groep met ruiten gevuld met een lelie. Gorinchem, 1635-1645. Noten 1. Verder zijn 1534 steelfragmenten geteld waaronder 34 mondstukken. De verhouding koppen en stelen geeft aan dat er onzorgvuldig is gegraven. 2. D.H. Duco, De kleipijp in de zeventiende eeuwse Nederlanden, Oxford, 1981, p 149. Woont in 1627 in de Reestraat in Amsterdam. 3. Alternatieve materialen zijn hout, riet, hoorn en been. Zie ook: Don Duco, ‘Een exotische pijp uit Schermerhorn’, Amsterdam, 2003. Bespreking van een pijp met een steel van lood. 4. Bedenkingen ten aanzien van de gezondheid bij gebruik van lood zijn van onze tijd. 5. SAHM, OA2529, fol 124, Gildeboek 1614-1711, 29-08-1662. 6. D.H. Duco, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda, Amsterdam, 2003, p 14. 7. D.H. Duco, De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden, 1987, p 89, afb 464-467. 8. SAHM Gouda, Rekeningen Sint Jan 1574-1670,12-01-1632. Willem Plots, Engels tobackpijpmaker, baar 8.0.1, luiden 5.17.0. 9. Don Duco, Biografische gegevens van pijpenmakers in Nederland, Amsterdam, 1976 e.v. Gorinchem, William Pritsaert. 10. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 4192ab, Pk 13.023b Marcus Claasz. 11. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 3109 Steven Hendricksz. 12. Cijfer bij benadering, een aantal pijpen was al uit de vondst verkocht voordat ik deze kreeg aangeboden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| artikel | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Pijpenkabinet - nationaal museum met de internationale collectie
© copyright Pijpenkabinet, Amsterdam |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||