| artikel | ||||||||
Spreekwoordelijke AshantipijpenDoor Don Duco De Ashanti en de Fante zijn de twee volken die tot de etnische groep de Fon behoren en de Akantaal spreken. Zij leven in Zuid-Ghana. De geschiedenis van het Ashantirijk begon in de tiende eeuw met de migratie van dit volk vanuit het noorden. Reeds in de elfde eeuw werd een koninklijke dynastie gesticht. Onder leiding van de koningen groeide dit rijk uit tot een krachtige natie met belangrijke handelsrelaties. Het koninkrijk kende zijn hoogtepunt in het begin van de negentiende eeuw met de koningen Guézo en Glélé. Toen strekte hun gebied zich uit vanaf de zuidwestelijke kust van de Golf van Guinee tot het noorden en het noordwesten van de Niger. Het gebied beschikte over fabelachtige hoeveelheden stofgoud. Via de koopmansteden werd dit goud geruild tegen andere handelswaar zoals bijvoorbeeld zout. Ghana beheerste hierdoor een groot deel van de handelsroute beneden de Sahara. Na 1850 is het Ashantikoninkrijk langzaam in verval geraakt, mede door de vele oorlogen, de slavenhandel en allerlei conflicten. Tegenwoordig staat het Ashantigebied bekend als Ghana en is er van dit eens zo machtige rijk weinig overgebleven. In kunst en cultuur heeft de Ashanti zijn eigen identiteit. Zo staan zij bekend om hun pottenbakkerskunst en figuratieve terra cotta’s. De tabakspijpen van de Ashanti zijn populair geworden door de grote verfijning van materiaal, de bijzondere vormgeving maar ook door de kenmerkende decoraties. Over de gewone gebruikspijpen schreef ik al eerder een oriënterende verkenning (noot 1). Dit artikel is gewijd aan één opmerkelijke soort, namelijk de zogenaamde spreekwoordenpijpen. Het gaat om een luxe variant op de dagelijkse rookpijp. Hoewel geschikt voor gewoon gebruik zijn de spreekwoordenpijpen toch de curiosa onder het rookgerei en zij zijn eerder een verzamelaarobject of reissouvenir dan een gebruiksartikel. Een aantal van deze pijpen is zelfs als speciale opdracht gemaakt en bij die exemplaren overstijgt de decoratie de gebruikswaarde. Het sculpturale aspect van deze pijpen past in de cultuur waarvan de bekende goudgewichtjes een vergelijkbare uiting zijn. Dit artikel bespreekt het fenomeen figurale Ashantipijpen aan de hand van de collectie van het Pijpenkabinet in Amsterdam. Doel is de kennis over deze bijzondere spreekwoordenpijpen uit de diverse bronnen samen te vatten en te presenteren. Achtereenvolgens wordt een beknopte geschiedenis van het roken en het gebruik van de pijp in Ghana gegeven. Deze oriëntatie wordt gevolgd door de plaats van de Ashantipijp in de literatuur en in oude collecties. Daarna is de koers meer productgericht: de techniek van vervaardiging wordt besproken, de vormgevingsprincipes worden toegelicht inclusief de decoraties waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de uitbeeldingen in relatie tot de spreekwoorden en zegswijzen uit de Akantaal. De bijlage brengt de informatie over de objecten uit de collectie van het Pijpenkabinet samen. Voor het schrijven van dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van twee eerdere studies. De eerste is die van Rohrer, die op zeer verdienstelijke wijze de pijpen uit het museum in Bern beschreef en interpreteerde (noot 2). De tweede is een geschrift van de Engelsman Bullwinkle die zich rond 1950 in de Ashantipijpen heeft verdiept (noot 3). Tabaksgebruik en het roken Het is onbekend wanneer de tabak in Ghana is geïntroduceerd, al zal dat niet veel later zijn geweest dan in het nabijgelegen Sierra Leone. In 1705 schrijft ene Bosman dat er aan de kust van Ghana volop tabak groeit (noot 6). Alle inlanders schijnen tabak te roken, al hebben de negers die met de westerlingen omgaan een duidelijke voorkeur voor de tabak door de Portugezen aangevoerd of liever zelfs tabak die rechtstreeks uit Brazilië komt. Het roken schijnt zo belangrijk dat de inlanders er hun laatste sou aan uitgeven. Bosman prijst de negers die Spaanse of Virginische tabak roken om hun goede smaak, maar maakt diegenen die zich met Amorsfort weed tevreden stellen belachelijk (noot 7). Blijkbaar stond de lokale Hollandse teelt in die tijd niet erg hoog aangeschreven en wie van de smaak van tabak kan genieten zal dat kunnen beamen. Uit die tijd zijn pijpen bekend, door Bosman beschreven, met een steel van riet of hout van zes voet lang, waaraan een pijpenkop gemaakt van steen of klei. Deze pijpenkop heet in de Akan taal Taa sen (noot 8). De steel van de pijp is zo lang omdat de pijp niet in de hand wordt gehouden maar tijdens het roken met de pijpenkop op de grond rust. Naast het langgesteelde product zijn ook kortere pijpen bekend. Volgens de bronnen stoppen de inlanders hun pijp met drie handen tabak en roken deze zonder pauze leeg. Gezien de hoeveelheid tabak die men in één pijp stopte, moet het dus om een niet al te sterk mengsel gaan. Dat het roken in sociaal opzicht is ingeburgerd word bewezen door een andere notitie, namelijk door ene Mungo Park die aan het eind van de achttiende eeuw schrijft dat er in vrijwel iedere stad een soort podium is waar men bijeenkomt en een pijp rookt. In die tijd wordt het roken als een aangenaam tijdverdrijf gezien. Tabak wordt door de Ashanti taa genoemd, een woord overgenomen van de buitenlanders, zoals we dat ook zien in de woorden taba en tamaka van naburige stammen (noot 9). De rijke taal van de Ashanti kent overigens ook nog andere aanduidingen voor tabak, waarvan sommige een bepaalde soort of een zekere wijze van verwerking aanduiden (noot 10). De verschillende woorden voor de tabakssoorten onderstrepen het belang ervan binnen de Ashanti. Omdat het Goudvolk bekend was met de rollen Amerikaanse tabak, bereidden zij hun eigen tabak op vergelijkbare wijze. Nadat de bladeren in de zon waren gedroogd wreef men deze met de handen fijn en werden de snippers met water tot een soort rol gevormd. Behalve water werd ook wel plantensap als bindmiddel gebruikt (noot 11). Deze lokale tabakssoorten blijken buitengewoon zwaar te zijn (noot 12). Sommige Ashanti hebben een duidelijke voorkeur voor tamelijk heftige tabak met een flinke roeswerking. Deze wordt meestal bij kleinere hoeveelheden gerookt in een pijp met een overeenkomstig kleine ketel. Voor andere, minder sterke tabakssoorten gebruiken de Ashanti pijpen met een grotere kop. Over de rite rond het roken van het Goudvolk worden we geïnformeerd door een uniek persoonlijk relaas van Ene Kwame Ketewa uit Kwamang. Er is geen specifiek moment waarop een jongen zijn eerste pijp rookt (noot 13). Als in onze Europese culturen gebeurt dat roken onder jongens vaak stiekem en de zware tabak is bedwelmend genoeg om bij de eerste keer ziek te worden. Dat overkwam Kwame ook. Voor de meeste pijprokers is het roken vooral een groepsgebeuren bestemd voor momenten van rust en ontspanning. Dat wordt ook bewezen met de pijpen die niet tussen de tanden kunnen worden gehouden, maar altijd met de hand moeten worden ondersteund. Dezelfde Kwame vermeldt ook nog dat tabak wordt verbrand bij een begrafenis, om het uitdrijven van de ziel gemakkelijker te maken. Wanneer rokers stierven, dan was het de gewoonte om hun favoriete pijp onder hun kussen te leggen, samen met wat tabak. Het formaat van de pijpen varieert van minder dan een vingerhoed voor de kleinste exemplaren tot een inhoud vergelijkbaar met een normale West-Europese bruyèrekop voor de standaardformaten. Alleen wanneer sprake is van een prestigeobject, dan wordt de ketelinhoud nog groter hoewel het bij die producten onduidelijk is of zij ooit zijn gerookt. Zoals er bij de Europese tabakspijp in de loop van de tijd een duidelijke toename van ketelinhoud is, lijkt dat bij de Ashanti niet het geval te zijn. Reeds in de vroegste tijd zijn zowel pijpen met een grote als met een kleine kop gebruikt en dat blijft tot in de twintigste eeuw het geval. De uiteenlopende formaten pijpenkoppen kunnen bestemd zijn voor de twee tabakssoorten die men gebruikte: de sterke Nicotiana rustica naast de mildere Nicotiana tabacum. Duidelijk is dat de tabakspijp in de Ashanticultuur een belangrijke rol heeft gespeeld, zowel voor mannen als voor vrouwen. Voorname personen hebben een bediende die bij het roken assisteert (noot 14). Zo’n pijpbewaarder stopt de pijp, steekt hem aan en bewaakt het vuur waarmee zij in feite het hele rookproces begeleiden. Zo’n elitaire rooksituatie compleet met bediende voor de pijp is uitgebeeld in een Ashantibronsje (afb. 1). Een welhaast vorstelijke persoon zit op een stoel, een wachter staat achter hem, de lange pijp rust met de kop op de grond, de pijpbewaarder ontfermt zich hierover. Meer realistisch is de foto van een Ashanti uitgerust met een lange tabakspijp die werd afgebeeld op de kaft van het manuscript van Bullwinkle (afb. 2). Deze afbeelding toont de dan gangbare Ashantipijp in gebruik en laat de statuswerking van de lange steel zien. Evident is hoezeer de pijp in harmonie is met de verschijning van de roker. Deze foto is een prachtig tijdsdocument van een gewoonte die in de loop van de twintigste eeuw is verdwenen. Oude bronnen Vervolgens duurt het tot de jaren 1870 eer er weer een Ashantipijp in de literatuur verschijnt. Standaardwerken over tabak en het roken zoals bijvoorbeeld Fairholt uit 1859 beelden geen etnografische pijpen af (noot 16). Wanneer het roken en de tabakspijp worden behandeld dan is dat steeds vanuit de invalshoek van Europa, eventueel aangevuld met de prehistorie van het roken bij de Amerikaanse Indianen. Vreemd genoeg bestaat er in die periode nog geen belangstelling voor het tabaksgebruik in Afrika en Azië. Pas in 1877 beeldt de magnifieke encyclopedie van de mode door Racinet in zes pagina’s de vormvariatie van ’s-werelds rookpijpen af. Een unieke serie met zeer gevarieerd rookgerei waarbij ook de Ashantipijp niet wordt vergeten (noot 17). Twee exemplaren staan afgebeeld, een gangbaar model met een bolronde ketel zoals ik al in mijn eerder vermelde artikel beschreef (afb. 3). In dit verband is een figuraal stuk interessant, waarvan de pijpenkop zeer ongebruikelijk is en de vorm van een hangslot heeft (afb. 4). Ruim tien jaar later geeft ook Robert Pritchett in zijn prachtige boek Smokiana de Ashantipijp weer (afb. 5, noot 18). Hij kiest twee stukken uit het British museum: een pijp met een potvormige ketel en een vogel. De publicaties van Racinet en Pritchett zijn mondiaal van grote invloed geweest en zorgen ervoor dat de Ashantipijp ook in andere bronnen over het rookgerei een plaats krijgt. Zo wordt er rond 1910 een overzicht van ’s-werelds rooktoestellen opgenomen in Nederlandse en Duitstalige encyclopedieën. Daarin ontbreekt de Ashantipijp als kenmerkend voorbeeld niet (afb. 6). Vanaf dat moment is de figurale Ashantipijp niet meer uit de literatuur weg te denken. Alfred Dunhill beeldt bijvoorbeeld in zijn standaardwerk uit 1924 twee van dergelijke koppen af, een vogel en een schelp (afb. 7, noot 19). Interessant is wat Dunhill daarover zegt: It should be remarked that on the Guinea Coast, as in North America, the interest taken by Europeans in articles of native workmanship has led to their manufacture merely for sale as curios, so that many West African pipes are of this character, and may be of “freak” designs. Dankzij het wereldwijde inzicht dat Dunhill over de pijp had opgebouwd, kon hij tot de vergelijking komen tussen pijpen van de Amerikaanse Indianen en de Ashanti. Bij beide volkeren zou de figuratie zijn ontstaan uit de vraag van de Europeanen naar curieuze voorwerpen. Uiteraard is er van vormovereenkomst geen sprake. De figurale Ashanti-pijp is zeker aan collectioneurs en musea niet voorbij gegaan. Zo werd een volwassen pronkpijp reeds in 1817 aan de collectie van het British Museum toegevoegd (noot 20). Een geschenk van de reeds gemelde Bowdich die in 1817 Kumasi bezocht en er een aantal pijpen kocht die hij enkele jaren later aan het museum schonk. Van twee van deze producten zijn afbeeldingen bekend. Beide exemplaren zijn rijk versierd, de ene is louter geometrisch van opbouw (afb. 8), de tweede laat de zittende vogel zien (afb. 9). Bij deze stukken blijkt duidelijk dat de decoratie in de vroege negentiende eeuw al tot volle wasdom was gekomen, zowel bij de geometrische als bij de figurale producten. Een ander exemplaar dat figuraal is uitgewerkt bevond zich in de collectie van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden van koning Willem I. Dit voorwerp was door een Ashantikoning geschonken. Later is deze pijp overgegaan naar het Rijksmuseum voor Volkenkunde, waar de pijpenkop nog altijd wordt bewaard. Naast incidentele stukken zoals hierboven genoemd, waren Ashantipijpen ook in particuliere collecties te vinden. De fameuze pijpenverzamelaar William Bragge uit Sheffield illustreert in zijn notebook verschillende van deze pijpen, dan toepasselijk voor de tijd toegeschreven aan de Dahomey-Ashantee (afb. 10, 11, noot 21). We zien schetsen van een luipaard, een vogel, een schelp en enkele andere uitbeeldingen. Bragge’s latere handgeschreven en prachtig getekende catalogus laat meer exemplaren zien (afb. 12, 13). De groep is dan tot minimaal 15 stuks uitgegroeid. De meeste pijpenkoppen in zijn verzameling hebben overigens de vorm van de bolronde kookpot, de meest gangbare gebruikspijp. Aan de missionarissen O. Lädrach en J. Jost danken wij een bijzonder inzicht in de figurale Ashantipijp. Deze twee lieden verzamelden tussen 1880 en 1910 in het huidige Ghana niet alleen bijzondere gesculptureerde Ashantipijpen, maar hebben deze voorwerpen ook uitgebreid gedocumenteerd (noot 22). Het gaat om een groep van zo’n dertig exemplaren, een verzameling die al ruim een eeuw op de etnografische afdeling van het Historisch Museum in Bern wordt bewaard. In 1946 publiceerde ene E. Rohrer deze door hen verzamelde informatie in een verdienstelijk artikel waarin de relatie tussen de voorstelling en het spreekwoord of de zegswijze in de Ashantitaal wordt geduid. In de eerste helft van de twintigste eeuw bestond in Londen onder enkele pijpenfabrikanten en handelaren een mondiale belangstelling voor de verschijningsvorm van de tabakspijp. De bekendste verzamelaars zijn Dunhill en Astley. In beide collecties bevonden zich voorbeelden van de curieuze Ashanti-ambachtskunst. Maar ook elders in Engeland constateren we die interesse, zoals bijvoorbeeld in het museum van de tabaksfirma Will’s in Bristol, waar een half dozijn Ashantipijpen werd bewaard. Een bijzondere verzameling maar vanuit een geheel ander gezichtspunt aangelegd, werd bijeengebracht door de Engelsman Bullwinkle. Tussen 1920 en 1950 vertoefde hij in Ghana en verzamelde daar tabakspijpen. In tegenstelling tot de Bernse missionarissen oriënteerde hij zich niet louter op de uitbeeldingen in de pijpen maar vooral op de geschiedenis van het voorwerp en de inbedding van de vorm in de tijd. Zijn verzameling bevatte zo’n 200 exemplaren van goede kwaliteit zoals hij zelf stelde. Daarnaast bezat hij vele fragmenten van koppen en stelen opgeraapt van akkers en velden. Het manuscript dat hij over deze verzameling samenstelde toont een deel van zijn collectie, aangevuld met stukken uit enkele openbare verzamelingen (afb. 16). Naast Rohrer is dit het belangrijkste document over de Ashantipijp. De verzameling van Bullwinkle en zijn aantekeningen, inclusief het manuscript worden nu bewaard in het Pitt-Rivers Museum in Oxford. Een tweede manuscript van hem bevindt zich in het Pijpenkabinet en kwam via een veiling in Londen in Amsterdam terecht. Uiteraard sluimeren nog talloze Ashantipijpen in depots van musea. Die kans is met name groot wanneer het land in het verleden een band met Ghana heeft gehad, hetgeen vooral voor Engeland, Frankrijk en Nederland geldt. Reeds gemeld zijn de collecties van het British Museum en van het Pitt Rivers Museum. Verder bevinden zich enkele Ashantipijpen in München (noot 23). Onverwacht is de aanwezigheid van een bijzondere Ashantipijp bewaard bij het Zeeuws Genootschap in Middelburg (noot 24). Naast de keramische pijpen zijn door de Ashanti ook tabakspijpen van metaal gemaakt, die overwegend als status dienst deden. De beroemde gouden Ashantipijp van koning Willem I is daarvan een mooi voorbeeld (noot 25). Hier gaat het om een geschenk van een koning aan een koning, aangeboden ter gelegenheid van een overeenkomst over de slavenhandel. De pijp heeft een potvomige ketel met een opgaande vierkante steel. Een vergelijkbare pijp van goud bevindt zich in de collectie van het British Museum in Londen (afb. 14). Beide pijpen zijn overigens niet figuraal. Een zilveren pijp van de Bekwai stoel werd rond 1850 gemaakt door een goudsmid met de naam Kwabena Fosu (afb. 15). Hier laat het ontwerp opnieuw een kookpot zien, die boven het vuur is geplaatst, waarvan de vlammen prachtig gestileerd zijn weergegeven. Tenslotte wordt als variant hierbij nog een bronzen exemplaar afgebeeld, waarvan de vormgeving de gangbare ceramische potvorm volgt (afb. 16). In staat van nieuw oogde deze bronzen pijp als een gouden pijp, doch door oxidatie verdween die uitstraling. Ook bij deze bronzen pijp is weer de potvorm als uitgangspunt genomen. Uiteraard bieden metalen pijpen weinig gebruikscomfort. De verzameling Ashantipijpen uit het Pijpenkabinet is opgebouwd uit verschillende bronnen waarin een duidelijke tweestroom te herkennen valt. De categorie figurale pijpen stamt overwegend uit oude Engelse collecties of uit de antiekhandel aldaar. Het gaat om objecten van geliquideerde particuliere collecties zoals Astley’s, Dunhill en Shillitoe, maar ook meer openbare als The House of Pipes en de Will’s collectie. De gebruikspijpen in het Pijpenkabinet zijn zonder uitzondering rechtstreeks uit Ghana afkomstig. Een enkel figuraal stuk heeft een andere herkomst. In de bijlage van dit artikelen worden de voorwerpen nader beschreven en wordt ook hun herkomst vermeld. Techniek van vervaardiging Nadat de grondvorm tot stand is gekomen, volgt het afwerken. Dat gebeurt met behulp van mesjes die er voor zorgen dat het oppervlak mooi strak wordt. Tenslotte volgt het aanbrengen van de decoratie met behulp van stempels waarmee een patroon van lijnen wordt ingeritst of ingedrukt. De geometrische motieven vormen een contrast met de onbewerkte delen en zorgen voor een aantrekkelijke wisselwerking. Om de zones tussen versierd en onversierd af te bakenen worden raderingen gebruikt, maar als markering van velden worden ook wel ingeritste lijnen toegepast. Voor het vullen van de vlakken zien we allerlei motieven, waarop later nog wordt teruggekomen. Naast stempelingen vinden ook insnijdingen plaats, waarbij repeterende patronen van driehoekjes worden weggesneden en een soort kerfsneewerk ontstaat. Hoewel geometrisch gerangschikt en daardoor strak van patroon en ritmiek zijn de motieven vaak zo intens aangebracht dat van horror vacuï sprake is. De gevormde en afgewerkte pijpen worden nu te drogen gelegd. Als nabehandeling worden zijn gedoopt of overgoten met potas, een sap verkregen uit gekookte boombast (noot 27). Deze behandeling zorgt ervoor dat de pijpen na het bakken een egale kleur en glans verkrijgen, terwijl het oppervlak bovendien gladder wordt. Afhankelijk van de samenstelling van deze engobe loopt de kleur van diep bruinrood naar oranjeachtig bruin, terwijl de reflectie varieert van een zachte eiglans tot een volglanzend oppervlak. Het bakken van de pijpenkoppen gebeurt in een eenvoudige veldoven. Meestal worden de rauwe voorwerpen tussen lagen gras en houtjes gelegd, dat daarna wordt aangestoken. De baktemperatuur ligt rond de 800 graden (noot 28). Is tijdens het stookproces van voldoende zuurstoftoevoer sprake dan kleuren de pijpen rood, veroorzaakt door de ijzeroxide in de klei. Een andere optie is reducerend stoken waarbij de aanvoer van zuurstof juist geweerd wordt en de voorwerpen zwart smoren. Door dit zogenaamde reducerend stoken bereikt men een temperatuur van ongeveer 600 graden hetgeen als gevolg heeft dat de zwartgebakken voorwerpen iets breekbaarder zijn (noot 29). Wanneer bij het reducerend bakken op een juiste manier wordt afgestookt krijgen de producten een prachtige metaalglans. Vóór de verkoop worden de pijpenkoppen nog nagewreven met wit krijt of kalk (noot 30). De ingesneden en ingedrukte decoraties vullen zich daarmee zodat een groter contrast tussen versierde en onversierde delen ontstaat. Uiteraard verdwijnt deze witte poeder tijdens het gebruik geleidelijk. De pijpenkoppen worden door de handelaar maar vaker nog door de roker zelf van een roer of steel voorzien. Deze stelen zijn van riet of hout met een lengte tussen de dertig en de zeventig centimeter (noot 31). Aan het eind wordt als een soort mondstuk een metalen bekleding aangebracht, voor de rijkste rokers kan dat van zilver of goud zijn (noot 32). Het centrum van de pijpenproductie ligt in de dorpen rondom Kumasi (noot 33). Overigens is het maken van aardewerk bij de Ashanti een bezigheid voor vrouwen, maar wanneer het gaat om het figureren, dan behoort dat tot de taak van de mannen (noot 34). Bij talloze andere Afrikaanse volkeren bestaat deze verdeling ook (noot 35). In hoeverre die traditie altijd zo is gebleven, is de vraag. Onze Engelse onderzoeker Bullwinkle vermeldt in zijn artikel enkele figurale pijpenkoppen die rond 1920 door een pottenbakster zijn gemaakt. Klaarblijkelijk was toen dus niet meer sprake van een strikte verdeling in arbeid. Wanneer we de gewone gebruikspijpen met de hoogversierde waar vergelijken, ofwel de vrouwenarbeid aan die van de mannen toetsen, dan is het niet eenvoudig enig technisch verschil tussen de twee soorten te zien. Duidelijk is wel dat het ambacht vanuit een strikte discipline werd uitgeoefend. De aanpak is steeds gelijk en het is dus de vraag of de grens tussen mannen- en vrouwenwerk zo strikt te trekken is. Veeleer constateren we een verschil in vakmanschap, waarbij soms van krachtige vormen en dan weer van weinig geprononceerd werk sprake is. De decoratie is in het ene geval heel indringend, terwijl een ander product juist van een zekere vlakheid getuigt. Ook in de afwerking zijn grote verschillen te zien: trefzeker en zorgvuldig bestaan naast aarzelend en weinig geroutineerd. Model en decoratie De korte steel is conisch en bevindt zich achter de ketel. Ook de stelen van de pijpen kenmerken zich door uniformiteit al levert het handwerk een grote variatie op. De diameter van de steel is rond en de steel verjongt zich naar het eind. In zeldzame gevallen zien we stelen die licht vierzijdig zijn afgevlakt. De steel eindigt in een onopvallende manchet, bedoeld om een houten of rieten steel in te klemmen. Meestal is de manchet afgerond en dan vaak overlangs versierd met ingedrukte streepjes of raderingen. De oudste exemplaren hebben een zeer bescheiden vierkante manchet, al is de steelopening uiteraard altijd rond. Een variant is zelfs vijfhoekig. Het lijkt erop dat de vierkante manchet is afgekeken van pijpenkoppen uit noordelijke streken van Ghana of uit Mali. De ketel is steeds geplaatst op een basis of voetstuk. Deze voet heeft een vlakke onderzijde, die vaak iets schuin ten opzichte van de ketelopening staat. In de voet van de pijp komt nogal wat variatie voor, primair gerelateerd aan de wijze van gebruik. De basis van de ketel is soms vlak, in andere gevallen juist iets afgeschuind. Over het algemeen geldt dat deze bij de lichtere producten schuin is. Dergelijke pijpen moeten met een korte steel zijn gerookt en werden in de hand gehouden. De zwaardere pijpenkoppen hebben een vlakke basis, veelal met twee vooruitgeschoven driehoekige pootjes. Dat zijn pijpen om met een lang roer tijdens het roken op de grond te laten rusten. Slijtsporen onderop de ketelbasis bewijzen die vorm van gebruik. In de negentiende eeuw wordt de vlakke voet algemener en dan is ook de kop beduidend zwaarder uitgevoerd. Gelijktijdig ontstaat een nieuwe, meer elegante basis die lichter is uitgewerkt, vooral toegepast bij de luxere pijpenkoppen met een grotere artisticiteit. Dan is de basis aan de onderzijde licht gewelfd en de zware driehoekige punten zijn vervangen voor twee naar voren stekende rechthoekige voetjes. Aan de bovenzijde zijn deze uitsteeksels dikwijls voorzien van kerfsneewerk en soms vertonen zij een opengewerkte zone. Het is gebruikelijk de pijp van decoraties te voorzien, doorgaans ingekrast, ingedrukt of gestempeld of uitgevoerd in kerfsnee techniek. Ter afwisseling worden soms geappliqueerde motieven toegepast. Er bestaat een grote variatie zowel in motieven als in rangschikking en de wijze van uitvoering. Geometrische patronen voeren de boventoon. Zij zijn niet louter ornamentaal maar hebben een symboolfunctie. De geometrische versieringen zijn dus altijd betekenisvol al is het tegenwoordig buitengewoon moeilijk de achterliggende boodschap te achterhalen. De decoratie van de steel is meestal in concentrische banden opgebouwd. We onderscheiden verschillende typen. Het indringendste patroon vertoont banden in reliëf en het lijkt erop dat deze reliëfringen met de draaischijf zijn gemaakt. Deze reliëfbanden worden afgewisseld met vlakke zones met stempel- of kerfsneewerk. Eenvoudiger en algemener zijn de ingedrukte banden of ringen, doorgaans repeterend glad en gewerkt. Soms is de hele steel versierd en is sprake van een opbouw in perken met een steeds wisselende vulling. In andere gevallen wisselen gladde banen de decoraties af. Vierzijdige stelen hebben een totaal ander patroon. Zij vertonen geen concentrische opbouw maar hier is de indeling doorgaans aan de vier vlakken gebonden, die op hun beurt weer in perken zijn verdeeld. Onder de manchet op de voorzijde van de steel is door de pijpenmaker vaak een extra accent in reliëf aangebracht. Algemeen is een knopje als stilering voor het gezicht van de zon of de maan. Een ander populair motief is ook de ntrama ofwel kaurischelp, die symbool staat voor rijkdom en vruchtbaarheid (noot 36). Bij beter uitgewerkte pijpen is op deze plaats een uitbeelding aangebracht, zoals bijvoorbeeld een dierfiguur. Doorgaans is de decoratie op de steel ondergeschikt aan die op de ketel. De ketel zelf heeft meestal een geometrisch fond dat geruwd is met kruislingse lijnen of een subtiel ingedrukt repeterend motief. Op dit fond worden accenten aangebracht, bestaande uit geappliqueerde motieven. Veel geometrische versieringsmotieven zijn niet specifiek voor de tabakspijpen, zij worden ook op andere voorwerpen gebruikt, bijvoorbeeld door goudsmeden of wevers. Ook op de kalebassen worden soortgelijke motieven toegepast (noot 37). De geometrische decoraties hebben doorgaans een onderliggende betekenis. Zo staat de musuyidie, een vierkant waarin een kruis symbool voor het wegnemen van het kwaad (noot 38). De kauri’s, het teken van rijkdom en vruchtbaarheid, zijn het meest algemeen. Zij worden in verschillende patronen gebruikt. Hun ordening in een bepaalde geometrische schikking bevat altijd een dieperliggende boodschap. Vormen zij een ster dan noemt men dat de nsirewa. De plaatsing van de kauri’s en hun aantal refereren aan de mannelijk- of vrouwelijkheid. Vijf is het meest sacrale, maar soms loopt hun aantal tot negen op en iedere schikking heeft een specifieke betekenis. Daarnaast komen realistische uitbeeldingen voor, zoals een slak, vogel, slang of ander dier. De motieven en de wijze van uitvoeren zijn steeds weer anders: soms is een enkele figuur afgebeeld, dan weer is gekozen voor meerdere uitbeeldingen. De opgeplakte details vragen veel aandacht en verdoezelen vaak de expliciete ketelvorm. Een bijzonder fenomeen is de figuratie van de ketel, waaraan dit artikel is gewijd. Nadat de pijpenkop in de achttiende eeuw steeds explicieter werd gedecoreerd moest er een moment komen dat de decoratie los van de pijpenkop raakte en de start met de figuratie werd gemaakt. Kennelijk oogstten deze producten snel belangstelling en werd de pijpenmaker aangemoedigd dit aspect verder uit te werken. Vermoedelijk is de stimulerende vraag van het hof hier van belang geweest. Bij de Ashanti was de koning het voorbeeld voor het uitdragen van een materiële status. Hij legde een grote verzameldrang aan de dag en sierde zijn paleizen met pronkgoed van allerlei aard. Die gewoonte werd in lagere kringen nagevolgd. Daarnaast zal ook van de vraag van de Europeaan naar curieuze souvenir- en verzamelartikelen een stimulerende werking zijn uitgegaan. Lastig is het te bepalen waar de gebruiksfunctie van deze hoogversierde pijpenkoppen overgaat in een pronkfunctie. Zeker is dat veel van de meer uitgewerkte figuraties de pijpenkop te zwaar maken om als gangbaar gebruiksvoorwerp dienst te doen. Bovendien maken de fragiele uitstekende details de pijp onnodig kwetsbaar, terwijl deze wanneer zij beschadigd of afgesleten raken eerder ontsierend zijn dan een toegevoegde waarde hebben. Dat verklaart ook waarom de meer bijzondere pijpen doorgaans niet of nauwelijks gerookt zijn. De Engelse onderzoeker Bullwinkle beweert stellig dat de gewone pijpen bedoeld zijn als rookpijpen, terwijl de figurale stukken louter pronkpijpen zijn, die door de vorst of door hooggeplaatste personen werden besteld (noot 39). Uiteraard zal tussen beide stromingen een schemergebied hebben bestaan. De figurale voorstellingen Eveneens niet figuraal is de toevoeging aan de ketel van een krachtige schijfvorm die de oorspronkelijke potvorm van de pijpenkop verdringt (cat. 3) en het silhouet van de pijp onverwacht maakt. De brede dubbelconische ketel is geïnspireerd op de asenewa een specifiek watervat dat naast de gebruikelijke bolle kookpot het belangrijkste stuk huisraad is (noot 42). Net als de pot- en de emmervorm is deze uitbeelding niet zomaar gekozen, zij refereert aan het spreekwoord: Wanneer de pot van de armen breekt, dan ligt de kalebas daarnaast (noot 43). Hiermee symboliseert men het gegeven dat de armen met weinig genoegen nemen: breekt hun waterpot dan gebruiken zij een kalebas. Een vergelijkbare geometrische decoratie laat een ster in de ketel zien, gemodelleerd door vier, vijf of zes punten uit de ketel te laten steken. Het afgebeelde exemplaar toont vier punten, de vijfde wordt ingenomen door de steel (cat. 4). Bij deze pijpenkop is iedere sterpunt versierd met radiale raderingen. Voor deze voorstelling zijn verschillende betekenissen, afhankelijk van het aantal punten en de wijze van behandeling van het oppervlak. Helaas is de link met een spreekwoord niet te leggen. Een interessante variant (cat. 5) heeft twee ketels, de gebruikelijke potvorm naast de uitbeelding van een ster. Van echte figuratie is pas sprake wanneer de ketel is verstopt in een expliciete uitbeelding zoals bij de tabakspijp waarbij de pijpenkop wordt gedomineerd door een speelbord (cat. 5). Hier doorkruist het hoofdmotief de pijpenkop en domineert de figuratie de oorspronkelijke emmervorm. In de lokale taal wordt het speelbord aangeduid met oware of mangala (noot 44), een voorwerp met langs de lange zijden tweemaal zeven ronde schaaltjes en op de korte zijde elk één. Het speelbord verwijst naar de zegswijze: Heb je geen vrije tijd, dan kun je ook niet spelen (noot 45). Het speelbord refereert aan de intelligentie: het spel is gespeeld en is gewonnen door de intelligentste, niet iedereen kan spelen en winnen. Dezelfde vormgevingsprincipes als bij het speelbord zien we bij andere pijpenkoppen. Een emmervormige pijpenkop laat een trommel zien (cat. 6, 7), opnieuw horizontaal geplaatst en dwars door de ketelvorm. De twee voorbeelden die worden afgebeeld zijn tevens een mooi bewijs voor de seriematige vervaardiging over een langere tijd. Een prachtige tabakspijp heeft hetzelfde concept en laat een soort hanger of juweel zien, bestaande uit een houder met oog vanwaar twee pluimen afhangen (cat. 8, noot 46). Omdat de decoratie meer aandacht vraagt, springt bij deze pijp de ketelvorm minder in het oog. Toch blijft de aanwezigheid van de ketel het uiterlijk van het voorwerp bepalen waardoor de figurale prestatie inboet. Een vierde exemplaar toont een vrucht met de steel naar links (cat. 9). Hier is de groene hibiscus weergegeven, die in Ghana veel wordt gegeten. Minder algemeen is de uitbeelding in de ketel van een vis (cat. 10), weer haaks ten opzichte van de pijpenkop weergegeven. Helaas is ook van deze pijp de link met een spreekwoord niet bekend. Bij deze vijf tabakspijpen is het feitelijke pijpmodel dus grotendeels onaangetast gebleven, al wordt deze wel gedomineerd door een in het oog springende decoratie die als het ware door de ketel heen gestoken is en de aandacht van het voorwerp is gaan bepalen. Tamelijk algemeen maar nog ontbrekend in de collectie van het Pijpenkabinet is de uitbeelding van een schildpad (afb. 18, noot 47). Hier is de figuratie doorgaans minder sterk en is weer sprake van een doorbreking van de ketel met een hoofdmotief. De schildpad refereert aan het spreekwoord: De schildpad zegt: snel is goed, maar langzaam aan is ook goed. Hiervan zijn ook andere lezingen bekend, zoals: Om een schildpad te vangen hoeft men niet te rennen en voor ons minder logisch: Ook een schildpad heeft zijn zorgen. Een meer indringende figuratie wordt met de fraai gemodelleerde schelpvorm bereikt (cat. 11), die opnieuw dwars door de ketel heen zit. Ook bij deze pijp refereert de uitbeelding weer aan een zegswijze: Wanneer de slak zich verbergt, dan wordt zij groot (noot 48), ook wel verwoord als: Ver van het geschut zijn de krijgers het oudst. Een prachtig gezegde met een heel eenvoudige explicatie: wie niet in de gevaren zone komt, loopt ook geen risico. Aardig is het dat de Ashantitaal niet altijd eenduidig is want voor de pijpenkop met schelp bestaat nog een tweede lezing: Als er alleen slakken en schildpadden zouden zijn, dan zou er nooit een geweer in het woud klinken (noot 49). Opnieuw is de spreuk gebaseerd op de logica der zaken: trage dieren vragen geen grof geschut. Mogelijk heeft de toekenning van een andere spreuk hier te maken met een wijziging in de details van de schelp of een toegevoegd gestempeld of gesneden ornament. Wordt er een ander slakkenhuis uitgebeeld of is er sprake van een bijgeplaatst motief, dan wijzigt ook het spreekwoord. Van een geheel andere opzet is de tamelijk grote pijpenkop met de uitbeelding van een slang (cat. 12). De decoratie begint in reliëf aan de voorzijde van de ketel en het slangenlichaam gaat met drie zigzag windingen omhoog, de hals en de kop van het dier eindigen aan de bovenzijde van de steel. Op die plaats is een zittende vogel aangebracht. Een tweede vogel is aan de achterzijde van de pijpenkop afgebeeld. De slang leeft normaal op de grond maar in een zeldzaam geval grijpt deze een vogel uit de lucht. Door deze opmerkelijke vangst wijst de voorstelling op veel geluk of een uitzonderlijk koopje. De sculpturale prestatie komt tot volle wasdom bij enkele pijpenkoppen in de vorm van dierfiguren. Hier is de ketel van de pijp volledig ondergeschikt gemaakt aan de uitbeelding en doorbreekt meestal alleen de bovenrand van de pijpenkop de figuratie. Een mooi voorbeeld daarvan is de staande luipaard (cat. 13), waarbij slechts de filtrand op de rug van het dier de weg naar de pijpenkop wijst. De luipaard wordt hier uitgebeeld als symbool van de standvastigheid. Het dier refereert aan het gezegde: Wanneer de huid van de luipaard door slagregens nat wordt, worden zijn vlekken niet afgewassen (noot 49). De betekenis hierachter is dat dieren bij een veranderde omstandigheid geen karakterwijziging vertonen. Een andere verklaring van de voorstelling spreekt niet van regen maar stelt dat als de luipaard in het water valt zijn huid wel nat wordt maar zijn vlekken niet verdwijnen (noot 50). Rohrer geeft bij deze laatste spreuk als verklaring dat beïnvloeding van buiten de natuurlijke gaven van de mens niet kunnen afnemen. Eenzelfde optimale figuratieve toepassing zien we bij de zittende vogel (afb. 14), waarbij de pijpenkop verborgen zit in de romp van het dier. Bij de uitwerking van dit object is vooral een sterke wisselwerking van het oppervlak verkregen door de schaarse toepassing van kerfsneewerk. In de iconografie van de Ashanti komen vier vogels voor: de adelaar, kraai, havik en haan. In deze afbeelding herkent de Ashanti de adelaar die de volgende spreuk symboliseert: Door te gaan en te komen vlecht de vogel zijn nest (noot 51). De betekenis is enigszins belerend en wijst er op dat voor alle arbeid tijd en geduld nodig is, waardoor het resultaat ongemerkt tot stand komt. Twee figurale pijpenkoppen vallen op door een heel specifieke vormgeving. Het gaan om koppen met aan de voorzijde van de ketel een staande haan (cat. 15) en een staande kameleon (cat. 16). Beide producten zijn onmiskenbaar van dezelfde hand en stammen uit de latere tijd, wanneer het verval van de pijpennijverheid reeds heeft ingezet. In beide gevallen is de voorstelling niet in de pijpenkop gemodelleerd, maar aan de voorzijde er tegenaan geplakt. Toch is met deze merkwaardige stilering een bijzonder artistiek resultaat verkregen. De kameleon is symbool van de onstandvastigheid en het wantrouwen omdat zij van kleur verandert. De spreekwoorden die bij deze twee uitbeeldingen horen zijn echter niet overgeleverd en mogelijk was de betekenis voor de gebruikers in de periode van ontstaan al verloren gegaan. Van sterk vergelijkbare vormgeving is de pijpenkop die een aap voorstelt, één van de voorpoten aan de kin (cat. 17). Deze pijp is in dezelfde periode gemaakt als de twee bovenstaande dierfiguren. Toch levert de vormgeving een heel ander resultaat op: de stilering is minder uitgesproken en de vormgeving lijkt daardoor beduidend primitiever. De hand aan de kaak refereert aan iets verkeerds dat is gebeurd en waarover diep moet worden nagedacht. Het spreekwoord met deze pijp verbonden luidt: De chimpansee zegt: Wanneer je mij iets in mijn mond steekt, dan wil ik er een goed woord uithalen en het je mededelen. Bij de uitbeeldingen van mensen is de pijpenkop doorgaans in het hoofd van de voorgestelde geplaatst, hetgeen resulteert in een nogal waterhoofdige persoon. Van dit type zijn talloze voorbeelden bekend en zij lijken als gebruikspijp meer algemeen te zijn geweest; ze zijn steviger dan andere figuurpijpen en worden ook vaker bij opgravingen gevonden. Afgebeeld wordt een eenvoudige versie met een staande figuur, één hand reikt naar het hoofd (cat. 18). Op dit thema bestaan talloze varianten. Zo laat de collectie van het Berns museum daarvan enkele interessante variaties zien (noot 52). Bij de figurale Ashantipijpen is het onduidelijk hoeveel tijd er is verstreken eer de uitbeelding zich volledig had ontwikkelend en tot een volwassen figuratieve voorstelling was uitgegroeid. Zicht op het ontstaan en de ontwikkeling van gebruiksvoorwerpen is een algemeen probleem bij objecten uit traditionele culturen. Anders dan bij veel andere Afrikaanse voorwerpen valt er bij de figurale tabakspijpen wel een doorgaande ontwikkeling te herkennen. Wanneer de voorstellingen eenmaal zijn bedacht zien we dat het voorwerp geleidelijk conceptueler wordt terwijl in geval van navolging de stijl steeds iets wisselt. Ondanks het feit dat het pottenbakkerswerk van de Ashanti een sterk traditionele werkwijze volgt, valt er toch een zekere stijlevolutie te herkennen. Daarnaast wordt de uitbeelding sterk beïnvloed door het artistieke vermogen van de pottenbakker: de ene ambachtsman is nu eenmaal vakbekwamer dan de andere. Het duiden van deze twee steeds wisselende aspecten is overigens niet altijd even gemakkelijk. Een evidente stijlverandering zien we tijdens het verval van de pottenbakkersnijverheid die rond het jaar 1900 inzet. Vereenvoudiging en afname van detail geeft een bepaalde vervlakking in de vorm en de inhoud. Gelijktijdig ontstaat soms ook een aantrekkelijke stilering waarmee een nieuw niveau van verdienste wordt bereikt. De uitbeeldingen van een tamelijk tweezijdig weergegeven staande haan (cat. 15) en kameleon (cat. 16) zijn daarvoor illustratief. Deze pijpenkoppen werden tussen 1900 en 1920 gemaakt. Over dergelijke zwartgebakken exemplaren wordt wel gezegd dat zij als rouwgoed werden meegegeven aan de dode. De gebruiksfunctie zou hier dus voor een ceremoniële zijn verruild. Het duiden van spreekwoorden bij Ashantipijpen moet met de grootste terughoudendheid worden gedaan. Uit het artikel van Rohrer blijkt namelijk dat wanneer decoraties in de pijp in detail verschillen zij aan een andere zegswijze refereren. Dat maakt het toekennen van een spreuk of zegswijze aan een bepaalde voorstelling door ons in veel gevallen onmogelijk. Bovendien is de Ashantitaal rijk aan spreuken en zegswijzen, er zijn duizenden voorbeelden bekend. Een enkel detailverschil in de decoratie wijst vaak op een andere zegswijze. Als voorbeeld hiervoor geldt de kookpot met toegevoegde kauri’s of andere voorstellingen, waarbij de aanvullende decoratie uiteindelijk het spreekwoord bepaalt. Niet altijd wordt de voorstelling door een bestaande traditie bepaald. In sommige gevallen vraagt de klant de pottenbakker om een bepaalde uitbeelding en kent daaraan een eigen betekenis toe. Dan gaat het niet om een volksgebruik met een vaststaande betekenis, maar om een persoonlijke boodschap die geen enkele relatie met de heersende traditie heeft. Uiteraard zijn dergelijke persoonsgebonden voorstellingen nu niet meer te duiden. Daarnaast is het te verwachten dat er ook pijpen voor specifieke afnemers werden geboetseerd, die van een hogere kwaliteit getuigen en tevens van een grotere artisticiteit en originaliteit zijn. Datering De figurale pijp blijkt in het eerste kwart van de negentiende eeuw tot volle wasdom te zijn gekomen. Daarvan getuigen de reeds behandelde voorwerpen in Engelse en Nederlandse museumcollecties. De ontwikkelingsgang tot deze volwassen figurale producten is echter niet bekend en blijkt vooralsnog niet te reconstrueren. Het blijft dus de vraag of de figuratie een plotseling opkomende mode is geweest of een evolutie over een eeuw of meer. Het verdwijnen van de kenmerkende Ashantipijp als gebruiksvoorwerp ligt in het laatst van de negentiende eeuw. Vanaf 1880 gaan cultuur en welstand snel achteruit, het land komt onder andere bestuursinvloeden en daarmee verdwijnen de tradities. De fraai uitgewerkte pijpen leggen het af tegen geïmporteerde producten uit Engeland en Nederland. Al snel worden deze op zich subject aan imitatie hetgeen resulteert in een verarming van deze nijverheidstak. Wel blijven enkele traditionele pijpenmakers bestaan, die de kenmerkende stijl nog enige tijd continueren. Rond 1920 worden door de Ashanti de laatste pijpen gemaakt in de stijl van de vroege negentiende eeuw. Aan dit werk is duidelijk te zien dat het verval al eerder had ingezet. Toch is de vormgeving nog krachtig dankzij de bijzondere stilering terwijl het materiaalgebruik nog altijd uitstekend is. De Londense verzamelaar Shillitoe bezat vijf van deze latere pijpenkoppen die hem door zijn collega-verzamelaar Bullwinkle moeten zijn gepresenteerd. Volgens de aantekeningen van Bullwinkle zouden deze rond 1920 zijn gemaakt door een vrouw in het dorp Abuakwa op verzoek van de ex-Kumawuhene, Kwame Afram. Het feit dat deze figurale stukken door een pottenbakster zijn gemaakt lijkt in strijd met de traditie. Dat is echter niet het geval. Er wordt namelijk beweerd dat de zwarte pijpenkoppen als rouwartikelen werden gebruikt en in dat geval worden zij door vrouwen gemaakt, aangezien vrouwen voor de rouwartikelen zorgen. In de jaren 1930 moet de stijl zijn uitgestorven. In de tweede helft van de twintigste eeuw komt de figurale tabakspijp als een soort historisme terug. De oorspronkelijke stijl van de Ashantipijp wordt gekopieerd ten behoeve van de souvenirmarkt. Er ontstaat een nieuwe vormgeving waarvan ik twee soorten afbeeld. De eerste getuigt van grote armoede, omdat een kleurloze grijzige klei is gebruikt die weinig sprekend gemodelleerd is (cat. 22, 23). Hoewel de basiskenmerken deels zijn gebleven, zijn de vormgeving en de afwerking droevig. De krachtige vormgevingsprincipes verkregen door de unieke combinatie van modelleren en snijden verwaterden tot slap geboetseerde vormen zonder enig karakter. Al wat blijft bij deze set is de banale uitbeelding van een man en een vrouw toegevoegd aan een vormeloze pijpenkop. Bij een tweede type heeft de vormgeving wel veel aan kracht gewonnen en deze pijpen vertonen ook in technisch opzicht meer overeenkomst het de oorspronkelijke werkwijze en figurale verdienste. Hier zijn de pijpen na het boetseren wel strak afgewerkt. Toch zijn zij in vergelijking met de oorspronkelijke producten te groot, te grof en de plomp van vormgeving. Bij deze twee pijpenkoppen komt ook de gedachte van de spreekwoorden weer tot uiting, al is het niet bekend wat is uitgebeeld. Het lijkt er op dat deze producten zijn geïnspireerd op bewaard gebleven pijpen uit de jaren dertig. Wel is duidelijk gekozen voor een groter formaat, de maker verwachtte van deze grotere uitvoering blijkbaar een betere verkoop. Betekenis in de cultuur Duidelijk is dat de figuratie van de tabakspijp bij de Ashanti een belangrijk fenomeen is geweest. Het is terecht deze te vergelijken met de mode in figuratie die door de Franse pijpenfabrieken in de negentiende eeuw werd ontketend. Dat Frankrijk met de figurale kleipijp een wereldmarkt veroverde, had te maken met de grotere gebruikswaarde van de Franse pijp ten opzichte van de zeer breekbare en veel zwaardere Ashantipijp. Bovendien werd de Franse figuurpijp seriematig vervaardigd met alle aandacht voor het gebruikscomfort. Bij de figurale Ashantipijp zien we dat niet. Interessant in dat verband zijn enkele afbeeldingen in de fabriekscatalogus van een Franse grossier uit 1843. Temidden van andere exotische pijpen staat daarin zelfs een potvormige Ashantipijp uit Guinee afgebeeld. Een goed bewijs voor de bekendheid van de specifieke Ashantipijp en de veronderstelde aantrekkingskracht onder Europese en Amerikaanse rokers. Tot de bezittingen van de vorst of hooggeplaatste persoon behoren soms ook gouden of zilveren pijpen. Deze werden één of twee maal per jaar tevoorschijn gehaald om aan het volk te tonen dat de vorst kon roken. Bij die gelegenheid werd de pijp gedeeltelijk gevuld en vervolgens aangestoken om korte tijd te worden gerookt. Enkele van deze opperhoofden hadden een zogenaamde taasenfohene die verantwoordelijk was voor het dragen van de pijp bij openbare gelegenheden en die deze ook voor gebruik moesten klaarmaken. Het belang van de tabakspijp bij de Ashanti als exponent van de eigen cultuur wordt bewezen door een leefregel van de Ashantikoning Kweku Dua, die stelde dat in de straten van Kumasi geen Europese pijpen gerookt mogen worden en men er ook niet met een wandelstok mocht lopen. Enige jaren later, in 1869 wordt hiervan zelfs een wet gemaakt. De leefregel is kenmerkend voor een rijk dat een groot belang hecht aan traditie en eigen identiteit. De bepaling is overigens ook typerend voor de tijd: zij wordt afgekondigd op het moment dat het rijk in verval raakt en zijn eigen identiteit dreigt te verliezen. Enkele decennia later is de buitenlandse invloed niet langer te stuiten en wordt de Ashantipijp verruild voor goedkope importproducten uit Engeland en Nederland. De lokale pottenbakkers leggen zich vanaf dat moment toe op het namaken van deze importwaar. Slechts een enkele pottenbakker continueert met het cultuureigen product in de bovengenoemde gestileerde stijl tot daaraan rond 1930 definitief een eind komt. De incidentele opleving voor de souvenirmarkt is een verwaarloosbare beweging die het belang van de traditionele nijverheid eerder tot schade is.
© Don Duco, Stichting Pijpenkabinet, Amsterdam, 2006. Afbeeldingen 1. Bronsje in cire perdue techniek van een man op stoel met lange pijp, een wachter achter hem, een tweede persoon knielt bij de pijpenkop om deze aan te houden. Ghana, Ashanti, 1960-1970. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 7.329. 2. Ashanti man in traditionele dracht zittend voor zijn huis, in de handen een kenmerkende lange pijp met potvormige ketel. Anonieme foto, c. 1930. 3. Potvormige pijpenkop van de Ashanti. Detail uit een illustratie in Auguste Racinet, Le Costume Historique, Parijs, 1877 (1888). 4. Figurale pijpenkop met ketel in de vorm van een hangslot. Detail uit een illustratie in Auguste Racinet, Le Costume Historique, Parijs, 1877 (1888). 5. Twee Ashantipijpen uit de publicatie Smokiana van Robert Pritchett, de rechter de kenmerkende potvormige pijpenkop, de linker een figurale vogel. Londen, 1890. 6. De Ashantipijp uit een encyclopedie prent waarop bijzondere rooktoestellen, Nederland en Duitsland, c. 1911. 7. De Ashantipijpen uit de publicatie van Alfred Dunhill, The Pipe Book, 1924. 8. De geometrische Ashantipijp uit de collectie van het British Museum, Londen, 1817. 9. Tekening van de vogelpijp uit de collectie van het British Museum, Londen, 1817. 10. Pagina uit het notebook van William Bragge, Sheffield, c. 1870. 11. Pagina uit het notebook van William Bragge, Sheffield, c. 1870. 12. Tekening van een Ashantipijp met slakkenhuis uit de geïllustreerde catalogus van William Bragge, Sheffield, 1875-1880. 13. Tekening van twee figurale Ashantipijpen uit de geïllustreerde catalogus van William Bragge, Sheffield, 1875-1880. 14. Tekening van de gouden Ashantipijp uit het British Museum, Londen. 15. Tekening van een zilveren Ashantipijp gemaakt door de goudsmid Kwabena Fosu. 16. Bronzen Ashantipijp met potvormige ketel. Amsterdam, collectie Pijpenkabinet Pk 11.550. 17. Twee Ashantipijpen uit de collectie van de Engelse verzamelaar en onderzoeker Bullwinkle, foto vóór 1949. 18. Ashantipijp van Franse makelij uit de catalogus van de handelsfirma Saillard uit Besançon, 1843. Catalogus 1. Kookpot 2. Waterpot 3. Waterpot 4. Ster 5. Dubbele ketel 6. Speelbord 7. Trommel 8. Trommel 9. Hanger 10. Vrucht 11. Vis 12. Schelp 13. Schelp 14. Vogel 15. Haan 16. Kameleon 17. Slang 18. Luipaard 19. Man hand aan kin 20. Aap hand aan de mond 21. Man handen op het hoofd 22. Zittende vrouw 23. Zittende man 24. Man hand op de buik 25. Man met samengevouwen handen Literatuur Bullwinkle, (Manuscript on Ashantee Pipes), Part I: Tobacco, Part II: Taa Sen Tobacco Bowls, Part III: Decorative motifs on Pipes of Type I, Part IV: Designs on pipes of Type I, typesript England, c. 1948. Noten 1. Don Duco, 'Tabakspijpen uit het Ashanti-gebied', Amsterdam, 2001. 2. E. Rohrer, ‘Tabakpfeifenköpfe und Sprichwörter der Asante’, Jahrbuch des Bernischen Historischen Museums in Bern, Ehnographische Abteilung, XXVI, Jahrgang 1946, p 7-24 + 5 Tafeln. 3. Bullwinkle, (Manuscript on Ashantee Pipes), Part I: Tobacco, Part II: Taa Sen Tobacco Bowls, Part III: Decorative motifs on Pipes of Type I, Part IV: Designs on pipes of Type I, typesript England, c. 1948. 4. Berthold Laufer, Tobacco and Its Use in Africa, Chicago, 1930, p. 7. 5. Bullwinkle, c. 1948, p 1. 6. W. Bosman, Voyage de Guinée, London, 1705, p. 319. 7. Bullwinkle, c. 1948, p 1. 8. Bullwinkle, c. 1948, p 4. 9. Bullwinkle, c. 1948, p 2. 10. Kesi, ahabantaa, asra en ahuahaa. (Bullwinkle, c. 1948, p. 2). 11. Bullwinkle, c. 1948, p 2. 12. Bullwinkle, c. 1948, p 3. 13. Bullwinkle, c. 1948, p 3. 14. Rohrer, 1946, p 9. 15. Bullwinkle, c. 1948, p 6. 16. F.W. Fairholt, Tobacco: its History and Associations: Including an Account of the Plant and its Manufacture, London, 1859. 17. Amsterdam, Pijpenkabinet 18.319c. Auguste Racinet, Le Costume Historique, Paris, 1877 (1888). 18. Robert Pritchett, Ye Smokiana, Pipes of all Nations, London, 1890, p 31. 19. Alfred Dunhill, The Pipe Book, London 1924, p 184. 20. Bullwinkle, c. 1948, p 6. 21. J. Trevor Barton (comp.), A portfolio of William Bragge and his Pipes of all People, Letchmore Heath, 1991, p 71. 22. Rohrer, 1946, p 7. 23. Arnulf Stössel, Afrikanische Keramik, München, 1984, p 213-215, nr. 59-63. Tussen 1911 en 1915 binnengekomen.. 24. Middelburg, Zeeuw Museum, collectie Zeeuws Genootschap, nr. 427. De pijp zou rond 1860 zijn verworven, de ketel van deze forse tabakspijp toont een tweeling zittend op een krukje. 25. Leiden, Rijksmuseum voor Volkenkunde, inv.nr. 360-5211, binnengekomen voor 1837. Afgebeeld in: Peter Bulthuis, 500 jaar tabakscultuur, de rijke geschiedenis van het roken, ’s-Gravenhage, 1992, p 60. 26. Rohrer, 1946, p 8. 27. Valentin, 1976, p 9. 28. Rohrer, 1946, p 8. 29. Rohrer, 1946, p 8. 30. Rohrer, 1946, p 9. 31. Rohrer, 1946, p 9. Valentin, 1976 meldt 30-80 centimeter steel. 32. Rohrer, 1946, p 9. Lengte 3-5 centimeter. 33. Duco, 2001. 34. Valentin, 1976, p 9. Lecluse, La pipe de l’Afrique du Noir, Liège, 1985, Dl. II, p 637. 35. Duco, 'Rookgerei vol van symboliek, tabakspijpen uit de Graslanden van Kameroen', Amsterdam, 1999. 36. Bullwinkle, c. 1948, p 13. 37. Valentin, 1976, p 10. 38. Bullwinkle, c. 1948, p 12. 39. Bullwinkle, c. 1948, p 10. 40. Bullwinkle, c. 1948, p 6. 41. Bullwinkle, c. 1948, p 6. 42. Bullwinkle, c. 1948, p 6. 43. Rohrer, 1946, p 18. 44. Rohrer, 1946, p 17. 45. Rohrer, 1946, p 18. 46. Vergelijkbaar object maar met getordeerde rechte pluimen in Valentin, 1976, p 12, afb 10. 47. Stössel, 1984, p 213, nr. 60. 48. Rohrer, 1946, p 16. 49. Rohrer, 1946, p 16. 50. Bullwinkle, c. 1948, p 14. 51. Rohrer, 1946, p 15. Valentin, 1976, p 9, afb. 2. Een variant hier met ingedrukte sterretjes. 52. Rohrer, 1946, p 16. 53. Rohrer, 1946, afb. 1-6. 54. Duco, 2001, afb. 16 (Pk 10.615). 55. Don Duco, Century of Change, the European Clay Pipe, its final flourish and ultimate fall, Amsterdam, 2003, p 30, afb. 52. 56. Bullwinkle, c. 1948, p 4. 57. Bullwinkle, c. 1948, p 3. |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
![]() |
||||||||
|
Pijpenkabinet - nationaal museum met de internationale collectie
© copyright Pijpenkabinet, Amsterdam |
||||||||